ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1615

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5661 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens gewijzigde arbeidsongeschiktheid

Appellant ging in hoger beroep tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering door het UWV, waarbij hij stelde volledig arbeidsongeschikt te zijn. Hij voerde aan dat zijn analfabetisme en het ontbreken van het benodigde opleidingsniveau onvoldoende waren meegewogen bij de beoordeling van zijn arbeidsmogelijkheden.

De Raad overwoog dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen was, waarbij ook informatie van de behandelende oogarts was betrokken en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) adequaat rekening hield met de klachten van appellant. De arbeidskundige beoordeling toonde aan dat appellant, ondanks beperkte lees- en schrijfvaardigheden, eenvoudige productiefuncties kon vervullen met mondelinge instructies.

De Raad stelde vast dat appellant op basis van zijn werkervaring een opleidingsniveau 2 kan worden toegeschreven en dat de schatting van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% op goede gronden berust. Daarmee is het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering terecht en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

04/5661 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2004, 03/1583
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006, waar namens appellant is verschenen mr. De Bruin. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv terecht en op goede gronden de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 30 januari 2003 heeft ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd van 80 tot 100% naar minder dan 15%.
Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van
12 mei 2003 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 30 januari 2003 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit 10,4% bedraagt.
In hoger beroep zijn namens appellant de eerdere grieven herhaald en is aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank is voorbijgaan aan appellants analfabetisme en het ontbreken van het gewenste opleidingsniveau bij appellant om de functie wikkelaar te kunnen vervullen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is de informatie uit de behandelende sector meegewogen en is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening gehouden met alle klachten van appellant.
De Raad stelt in dat kader vast dat de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg naar aanleiding van de informatie van de behandelend oogarts T. Budisantoso de FML op het aspect “zien” heeft aangescherpt.
Hetgeen de gemachtigde ter zitting heeft aangevoerd met betrekking tot de medische toestand van appellant, heeft de Raad niet tot een ander oordeel doen leiden, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld.
Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting verenigt de Raad zich eveneens met hetgeen hieromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen.
De Raad stelt ten aanzien van het opleidingsniveau vast, dat appellant vanaf 1971 in diverse functies werkzaam is geweest en niet onaannemelijk is dat op basis van de opgedane praktische werkervaring opleidingsniveau 2 aan hem kan worden toegeschreven, nu bij het uitoefenen van de te verrichten werkzaamheden van onvoldoende functioneren van appellant niet is gebleken. Wat betreft de geduide functies is de Raad van oordeel dat het hier om eenvoudige productiematige functies gaat die ter zake van de aspecten lezen en schrijven slechts zeer beperkte eisen stellen. Mocht appellant niet in staat zijn om de eenvoudige gebruiksaanwijzing of instructies te begrijpen, dan kunnen deze op eenvoudige wijze worden vervangen door een mondelinge instructie of enige voorbeeldhandelingen van een collega of chef. Een en ander blijkt uit de onderzoeksbevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Maastrigt waarvan aan de Raad niet is gebleken dat die voor onjuist moeten worden gehouden. Nu uit het arbeidskundig onderzoek niet is gebleken van mogelijke overschrijdingen bij de geduide functies, berust naar het oordeel van de Raad de schatting op goede gronden. Hiermee is terecht een verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld van minder dan 15%.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 november 2006.
(get.) D. J. van der Vos.
(get.) W.R. De Vries.
BKH 061006