ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling toeslag op grond van de Toeslagenwet ondanks financiële problemen
Appellante heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van haar toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW), waarbij zij stelde dat de toegekende toeslag van € 8,91 bruto per uitkeringsdag onvoldoende is om aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Zij vorderde een aanvulling tot 100% van het minimumloon. Het UWV stelde zich op het standpunt dat de toeslag aan een wettelijk maximum is gebonden en dat de vaststelling correct was.
De rechtbank oordeelde dat artikel 8 van Pro de TW imperatief is en dat het UWV niet van de daarin opgenomen maxima mag afwijken, ook niet bij sociale problemen zoals door appellante aangevoerd. De toeslag was terecht vastgesteld op het verschil tussen het WAO dagloon exclusief vakantietoeslag en de WAO-uitkering exclusief vakantietoeslag, met een maximum van 30% van het minimumloon.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. De Raad benadrukte dat de wettelijke bepalingen strikt moeten worden nageleefd en dat sociale omstandigheden geen grond vormen om hiervan af te wijken. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door rechter D.J. van der Vos, en de griffier was W.R. de Vries. De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure over de hoogte van een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de toeslag terecht is vastgesteld op € 8,91 bruto per uitkeringsdag conform de wettelijke maxima.