ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WAO-uitkering wegens gewijzigde arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als reïntegratiemedewerker, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering in per 29 september 2003 op grond van een medische beoordeling dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was geworden. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij een deskundige een dysthyme stoornis vaststelde met milde beperkingen, maar oordeelde dat appellant de geduide functies kon verrichten.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten onvoldoende werden erkend en overhandigde een rapport van een neuropsycholoog. Het UWV reageerde met een tegenrapportage en een arbeidsdeskundig onderzoek dat de functiebelasting vergeleek met de belastbaarheid van appellant. De Raad constateerde dat het UWV onvoldoende toelichting gaf op de niet passende punten in de functiebelasting en vernietigde zowel het bestreden besluit als de uitspraak van de rechtbank.
Desondanks achtte de Raad de door het UWV overgelegde rapportage van de arbeidsdeskundige adequaat voor de geschiktheid van de functies en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. De Raad volgde de medische deskundige van de rechtbank die een objectieve en uitgebreide beoordeling had verricht en verwierp het rapport van de neuropsycholoog als onvoldoende onderbouwd voor de peildatum. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.