ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onderschatting medische beperkingen niet aannemelijk
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het Uwv tot intrekking van haar WAO-uitkering, waarbij zij aanvoert dat haar medische beperkingen zijn onderschat en zij niet in staat is de voorgestelde functies te verrichten.
De Raad verwijst naar de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank en constateert dat de medische beperkingen, waaronder een dysthyme stoornis en somatoforme klachten, door de verzekeringsarts en psychiater voldoende zijn meegewogen. De Raad acht de beperkingen niet zodanig dat zij de belastbaarheid van appellante overschat achten.
Daarnaast is vastgesteld dat er nog drie geschikte functies beschikbaar zijn die appellante kan verrichten. De Raad volgt daarmee het oordeel van de rechtbank dat appellante in staat is om werkzaamheden te verrichten die een inkomen opleveren zonder verlies aan verdiencapaciteit.
De Centrale Raad van Beroep ziet geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden. Er is geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering omdat de medische beperkingen niet zijn onderschat en appellante geschikt is voor bepaalde functies.