ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding bij bijstandsuitkering
Appellante kreeg vanaf 7 mei 1999 een bijstandsuitkering met toeslag vanwege de inwoning van betrokkene. Na uitschrijving van betrokkene op 22 oktober 1999 werd de toeslag verhoogd. Het geschil betreft de periode van 22 oktober 1999 tot 31 juli 2003, waarbij de vraag is of betrokkene hoofdverblijf had bij appellante en of zij vanaf 23 januari 2003 een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad concludeert dat betrokkene zijn hoofdverblijf bleef houden bij appellante ondanks inschrijving op een ander adres. Huisbezoeken en verklaringen ondersteunen dit. Er is echter onvoldoende bewijs voor wederzijdse zorg die vereist is voor een gezamenlijke huishouding. De rechtbank had dit niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad vernietigt het besluit van het College tot intrekking van de bijstand per 23 januari 2003 en de terugvordering, en veroordeelt het College tot vergoeding van proceskosten. Het College moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.