ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1360
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Verzet niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn na uitspraak bestuursrechtelijke zaak
Appellant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de Raad van 12 april 2006, maar deed dit pas op 15 juni 2006, ruim na het verstrijken van de zeswekentermijn die liep van 27 april tot en met 7 juni 2006.
De Raad heeft vastgesteld dat de uitspraak op 26 april 2006 per aangetekende brief aan appellant is verzonden, maar deze brief werd op 23 mei 2006 retour ontvangen met de mededeling dat deze niet was afgehaald. De uitspraak is daarop opnieuw toegezonden op 26 mei 2006, maar dit leidde niet tot een nieuwe termijn voor het instellen van verzet.
Appellant voerde aan dat de termijn pas zes weken na ontvangst van de brief van 24 mei 2006 zou lopen, maar de Raad oordeelde dat dit geen grond was om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Omdat appellant ook na de tweede toezending van 26 mei 2006 nog tijdig verzet had kunnen instellen, maar dit niet deed, werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.I. ’t Hooft, in aanwezigheid van griffier R.L. Rijnen, op 1 november 2006.
Uitkomst: Het verzet van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzetstermijn.