ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1360

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-443 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • M.I. ’t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn na uitspraak bestuursrechtelijke zaak

Appellant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van de Raad van 12 april 2006, maar deed dit pas op 15 juni 2006, ruim na het verstrijken van de zeswekentermijn die liep van 27 april tot en met 7 juni 2006.

De Raad heeft vastgesteld dat de uitspraak op 26 april 2006 per aangetekende brief aan appellant is verzonden, maar deze brief werd op 23 mei 2006 retour ontvangen met de mededeling dat deze niet was afgehaald. De uitspraak is daarop opnieuw toegezonden op 26 mei 2006, maar dit leidde niet tot een nieuwe termijn voor het instellen van verzet.

Appellant voerde aan dat de termijn pas zes weken na ontvangst van de brief van 24 mei 2006 zou lopen, maar de Raad oordeelde dat dit geen grond was om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Omdat appellant ook na de tweede toezending van 26 mei 2006 nog tijdig verzet had kunnen instellen, maar dit niet deed, werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door M.I. ’t Hooft, in aanwezigheid van griffier R.L. Rijnen, op 1 november 2006.

Uitkomst: Het verzet van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzetstermijn.

Uitspraak

06/443 WVG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 november 2005, 04/3150 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde
Datum uitspraak: 1 november 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
12 april 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 12 april 2006 heeft appellant bij brief met dagtekening 15 juni 2006 ingekomen ter griffie op 20 juni 2006, respectievelijk per faxbericht, dat op 16 juni 2006 ter griffie is ontvangen, verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006, waar partijen, - appellant met voorafgaand bericht van
1 oktober 2006 - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens artikel 8:55, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb.
De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken, zoals onder bedoelde uitspraak is aangegeven. Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop een afschrift van de bestreden uitspraak aan de partijen is toegezonden. Een verzetschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen dan wel - bij verzending per post - voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak van de Raad van 12 april 2006 is op 26 april 2006 aan partijen verzonden.
Nu de verzetstermijn loopt van 27 april 2006 tot en met 7 juni 2006 stelt de Raad op grond van de onder rubriek I vermelde gegevens vast dat die termijn in het onderhavige geval ruimschoots is overschreden. Dit betekent dat het verzet om die reden niet-ontvankelijk is, tenzij, gelet op artikel 6:11 van Pro de Awb, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
In het verzetschrift geeft appellant aan dat de uitspraak van 12 april 2006 door de Raad bij brief van 24 mei 2006 aan hem is toegezonden en dat hij van mening is dat de beroepstermijn duurt tot zes weken na deze datum.
De Raad stelt vast dat de uitspraak van 12 april 2006 bij aangetekende brief van 26 april 2006 aan appellant was verzonden. Op 23 mei 2006 is deze uitspraak door de Raad retour ontvangen met de mededeling "niet afgehaald". Vervolgens is de uitspraak bij brief van 26 mei 2006 opnieuw aan appellant aangeboden. Met deze toezending is evenwel geen nieuwe verzetstermijn gaan lopen. Nu appellant eerst bij schrijven 15 juni 2006 verzet heeft gedaan, is die termijn (die, gelet op artikel 6:24 in Pro samenhang met artikel 6:8, eerste lid, en met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, aanving op
27 april 2006 en die eindigde op 7 juni 2006) overschreden.
In hetgeen appellant in het verzetschrift heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om de overschrijding van verzetstermijn verschoonbaar te achten, te minder nu appellant ook na ontvangst van de brief van 26 mei 2006 nog tijdig verzet had kunnen instellen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.