ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en proceskostenvergoeding in WAO-uitkering
Betrokkene, voormalig medewerker in een tomatenkwekerij, meldde zich ziek vanaf 1 april 1992. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25% per 31 maart 1993, maar trok deze per 15 maart 1998 in wegens een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarna medische en arbeidskundige beoordelingen plaatsvonden.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de medische beoordeling per 31 maart 1993 onzorgvuldig was en verklaarde het beroep tegen de intrekking per 15 maart 1998 niet-ontvankelijk, maar vernietigde het besluit voor het overige. In hoger beroep werd het oordeel van de rechtbank over de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 maart 1998 aangevochten door betrokkene, terwijl het UWV bezwaar maakte tegen de niet-ontvankelijkheid en de vernietiging.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de medische rapportages van Nederlandse specialisten betrouwbaar zijn en dat de beperkingen en geschiktheid voor functies correct zijn vastgesteld. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard en verklaarde het beroep tegen de toekenning van de WAO-uitkering per 31 maart 1993 gegrond, maar het beroep tegen de intrekking per 15 maart 1998 ongegrond. Daarnaast bevestigde de Raad dat het UWV terecht weigerde een nadere vergoeding van proceskosten toe te kennen, omdat reeds voldoende vergoedingen waren toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid per 15 maart 1998 terecht is vastgesteld op 15-25% en verklaart het beroep tegen de weigering van een nadere proceskostenvergoeding ongegrond.