ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag kopjesregeling Wajong-uitkering op grond van onvoldoende dagloon
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die zijn bezwaar tegen het besluit van het UWV tot afwijzing van zijn aanvraag voor de kopjesregeling op grond van artikel 48 van Pro de Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid (IWS) ongegrond verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet in aanmerking komt voor de kopjesregeling omdat zijn uitkering, gebaseerd op de AAW, is berekend naar de individuele grondslag en minder dan 70% van het minimumloon bedraagt, terwijl artikel 48 IWS Pro vereist dat het dagloon ten minste 70% van het minimumloon is.
Appellant betwist voorts de grondslag van zijn AAW-uitkering uit 1987, stellende dat deze op de algemene grondslag had moeten worden berekend. De Raad overweegt dat deze kwestie niet aan de orde is in deze procedure omdat het bestreden besluit hierover geen beslissing bevat en dat appellant zich hiervoor tot het UWV kan wenden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 48, eerste lid, IWS en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor de kopjesregeling omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dagloon van ten minste 70% van het minimumloon.