ECLI:NL:CRVB:2006:AY9265
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt was na de wettelijke wachttijd van 52 weken.
De Raad heeft het standpunt van het UWV bevestigd op basis van twee medische rapporten: een van de primaire verzekeringsarts en een van de bezwaarverzekeringsarts. Beide artsen concludeerden dat appellante in staat was arbeid te verrichten en dat haar klachten niet terug te voeren waren op een ziekte of gebrek die haar belastbaarheid significant zou verminderen.
Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen onjuist waren ingeschat en overhandigde een neuroloogverslag dat een pijnsyndroom bevestigde. De Raad vond dit echter onvoldoende om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsartsen en de door de rechtbank benoemde deskundige.
De Raad concludeerde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en bevestigde de eerdere uitspraak die het beroep van appellante ongegrond verklaarde. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 september 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.