ECLI:NL:CRVB:2006:AY8877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4330 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld na ziekmelding vanuit WW-situatie bij WAO-beoordeling

Appellant was werkzaam als medewerker timmerfabriek en interieurbouw en viel uit wegens rugklachten. Na een WAO-beoordeling werd hij geschikt geacht voor passende functies ondanks beperkingen. Vanuit een WW-uitkering meldde appellant zich ziek met toegenomen klachten.

Het UWV weigerde ziekengeld per 13 augustus 2003, omdat de beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de WAO-beoordeling en appellant geschikt bleef voor de geselecteerde functies. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dit standpunt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad benadrukt dat de belastbaarheid wordt bepaald door objectief medisch vastgestelde beperkingen en niet door de diagnose. De aanvullende medische stukken van appellant overtuigen niet van een toename van beperkingen.

De Raad oordeelt dat het UWV terecht het ziekengeld heeft geweigerd en dat appellant niet ongeschikt is voor zijn arbeid in de zin van de Ziektewet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt blijft voor de WAO-functies.

Uitspraak

04/4330 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 juli 2004, 03/2834 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Nuyens.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als medewerker timmerfabriek en interieurbouw toen hij op 22 maart 2002 uitviel vanwege rugklachten. In het kader van het onderzoek bij het einde van de wachttijd heeft een verzekeringsarts appellant onderzocht en beperkingen aangenomen op basis van een aspecifieke chronische rugpijn en die op 15 januari 2003 vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ondanks deze beperkingen is appellant na arbeidskundige beoordeling geschikt geacht voor passende werkzaamheden. Hem is een uitkering ingevolge de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend die per 23 maart 2003 werd berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Appellant, die nadien tevens in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), heeft zich vanuit die situatie op 5 mei 2003 ziek gemeld met toegenomen rugklachten en spanningsklachten.
Na onderzoek door een verzekeringsarts op 13 augustus 2003 heeft deze geoordeeld dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen ten opzichte van de FML van 15 januari 2003 en dat appellant in ieder geval geschikt is voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies meteropnemer en werkmeester sociale werkplaats.
Bij besluit van 15 augustus 2003 heeft het Uwv appellant ingaande 13 augustus 2003 verdere uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) geweigerd.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts na dossierstudie op 20 november 2003 een rapport uitgebracht waarin hij aangeeft dat het door de primaire verzekeringsarts verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat niet is gebleken dat ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling sprake is van een toename van medisch objectiveerbare beperkingen.
Bij besluit van 25 november 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de jurisprudentie van de Raad is bepaald dat, in geval de verzekerde in het kader van de WAO-beoordeling geschikt is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WAO-functies als zijn arbeid worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor “zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is.
De Raad is van oordeel dat de beschikbare medische informatie geen aanleiding geeft om aan het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen te twijfelen.
De (bezwaar)verzekeringsartsen beschikten over voldoende medische informatie om hun standpunt op te kunnen baseren. Uit de onderzoeken van de (bezwaar)-verzekeringsartsen blijkt niet dat op de datum in geding 13 augustus 2003 de beperkingen ten opzichte van de WAO-beoordeling waren toegenomen. Daarbij merkt de Raad op dat de belastbaarheid voor arbeid in het kader van de ZW niet wordt bepaald door de diagnose, maar door de objectief medisch vastgestelde beperkingen die appellant als gevolg van zijn ziekte heeft. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van orthopeed P.W. Pavlov d.d. 4 juli 2006, wijst niet op toegenomen medisch objectiveerbare afwijkingen aan de rug van appellant. Voorts kan de Raad zich verenigen met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 maart 2005, waarin deze de passendheid van de geselecteerde functies nader heeft gemotiveerd.
De conclusie is dan ook dat het Uwv zich terecht op het standpunt stelt dat appellant op 13 augustus 2003 de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies kon vervullen.
Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.