ECLI:NL:CRVB:2006:AY8593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar per 16 april 2003 een WAO-uitkering toe te kennen op grond van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Roermond verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts en de arbeidskundige schatting met het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) volgde.
De Centrale Raad van Beroep toetste de medische beoordeling en vond geen aanleiding om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te betwisten. Wel stelde de Raad dat het CBBS als ondersteunend systeem in beginsel rechtens aanvaardbaar is, mits de schatting voldoende is toegelicht en gemotiveerd. In dit geval ontbrak aanvankelijk een deugdelijke toelichting, maar deze werd later in hoger beroep alsnog verstrekt.
De Raad constateerde dat twee oorspronkelijk gebruikte functies voor de schatting waren vervallen, maar dat er reservefuncties waren geselecteerd die voldoende arbeidsplaatsen boden. De arbeidskundige toelichting in hoger beroep was toereikend gemotiveerd, zodat de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigde, maar met toepassing van artikel 8:72 lid 3 Awb Pro de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.