ECLI:NL:CRVB:2006:AY8245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-588 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente

Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1994 een WW-uitkering op basis van een vastgesteld dagloon. Na een verzoek van betrokkene in april 2003 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd per 2 mei 2003. Appellant weigerde echter wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, wat betrokkene aanvocht bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat appellant ten onrechte de wettelijke rente weigerde en dat het oorspronkelijke besluit van 27 januari 1994 onrechtmatig was. De rechtbank stelde dat appellant vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Appellant erkende de onrechtmatigheid, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene en zijn werkgever destijds de gegevens aanleverden en betrokkene geen rechtsmiddel had aangewend.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht en verklaart het beroep van appellant ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat appellant niet verplicht is wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, waarmee de weigering van de wettelijke rente standhoudt. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en de weigering tot betaling van wettelijke rente blijft gehandhaafd.

Uitspraak

04/588 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 december 2003, 03/978 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 27 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van 3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 11 april 2003 heeft appellant bij besluit van 2 mei 2003 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 23 mei 2003 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij bestreden besluit op bezwaar van 20 juni 2003 is die weigering gehandhaafd.
Volgens de rechtbank heeft appellant ten onrechte geweigerd wettelijke rente te vergoeden. Het besluit van 27 januari 1994 moet als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 27 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van lange tijd verzocht om herziening van het dagloon.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
EK2406