ECLI:NL:CRVB:2006:AY8239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van terugwerkende verhoging WW-dagloon en wettelijke rentevergoeding
In deze zaak heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan betrokkene een WW-uitkering toegekend met ingang van 3 januari 1994. Na een verzoek van betrokkene in juli 2001 werd het dagloon bij besluit van december 2002 met terugwerkende kracht verhoogd. Het UWV weigerde aanvankelijk wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden, maar betaalde later rente vanaf 1 oktober 2001.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van januari 1994 onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Het UWV erkende de onrechtmatigheid, maar stelde dat betrokkene het risico van de oorspronkelijke dagloonvaststelling droeg, mede omdat betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg.
De Centrale Raad onderschreef het standpunt van het UWV dat het risico bij betrokkene ligt, maar stelde vast dat het UWV de wettelijke beslistermijn overschreed door pas in december 2002 te beslissen op het verzoek van juli 2001. Hierdoor is het UWV verplicht rente vanaf 1 oktober 2001 te vergoeden. Tevens werd vastgesteld dat het UWV rente over rente had moeten toekennen. De Raad bevestigde daarom het vernietigen van het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt bevestigd met de verplichting voor het UWV om een nieuw besluit te nemen en wettelijke rente vanaf 1 oktober 2001 te vergoeden, inclusief rente over rente.