ECLI:NL:CRVB:2006:AY8228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht inzake de verhoging van het WW-dagloon met terugwerkende kracht en de weigering van wettelijke rente over de nabetaling.
Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1994 een WW-uitkering. Na een verzoek tot herziening van het dagloon in maart 2002 verhoogde appellant het dagloon met terugwerkende kracht per 11 juli 2002. Appellant weigerde echter wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden, een besluit dat door de rechtbank werd vernietigd omdat het onrechtmatig was.
De Centrale Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was, maar stelt dat de rechtbank onjuiste gronden gebruikte. Het hoger beroep wordt afgewezen, maar appellant moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene. Tevens wordt appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten van €644 aan betrokkene.
De Raad benadrukt dat appellant de wettelijke beslistermijn heeft overschreden door pas in juli 2002 te beslissen op het verzoek van maart 2002, en dat appellant vanaf 1 juni 2002 gehouden is tot vergoeding van wettelijke rente. De zaak illustreert de noodzaak van tijdige besluitvorming en correcte toepassing van wettelijke rente bij nabetalingen in het sociale zekerheidsrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant moet een nieuw besluit nemen met vergoeding van wettelijke rente en betaling van proceskosten.