ECLI:NL:CRVB:2006:AY8175

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-413 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtToeslagenwet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit en toekenning renteschade en proceskostenvergoeding door Centrale Raad van Beroep

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond die het beroep tegen een besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het bestreden besluit betrof de herziening en terugvordering van toeslagen over 2000-2001 en een boete wegens schending van de mededelingsplicht.

Tijdens de procedure gaf het UWV aan het bestreden besluit niet langer te handhaven, waarna appellant zich met dit standpunt kon verenigen en vernietiging van het besluit en de uitspraak vorderde. De Raad stelde vast dat er geen geschil meer bestond over de inhoud van het besluit, maar appellant bleef belang houden bij een uitspraak over de renteschadevergoeding.

De Raad oordeelde dat renteschadevergoeding toekomt voor bedragen die appellant heeft terugbetaald aan het UWV, vanaf de datum van betaling tot terugbetaling door het UWV. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep, maar wees een declaratie voor deskundigenkosten af wegens gebrek aan bewijs van een deskundigenrapport.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de schade en proceskosten. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van renteschade en proceskosten.

Uitspraak

04/413 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 december 2003 , 03/1042 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord, waarna namens appellant nadere gegevens zijn verstrekt.
Bij brief van 8 mei 2006 heeft het Uwv de Raad bericht de in geding zijnde beslissingen niet langer te handhaven.
Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde van appellant de Raad op 15 juni 2006 medegedeeld zich met het nadere standpunt van het Uwv te kunnen verenigen. Daarbij is de Raad verzocht om gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van het bestreden besluit van 23 juli 2003 en van de aangevallen uitspraak. Voorts is verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van wettelijke rente.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 21 maart 2003 heeft het Uwv de bedragen van de aan appellant krachtens de Toeslagenwet (TW) over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2001 betaalde toeslag na herberekening aangepast.
Bij besluit van 24 maart 2003 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 221,86 (netto € 205,23) aan onverschuldigd betaalde toeslag teruggevorderd.
Bij besluit van eveneens 24 maart 2003 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hem wegens schending van de mededelingsverplichting een boete van € 45,- wordt opgelegd.
Bij beslissing op bezwaar van 23 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen de besluiten van 21 en 24 maart 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Nadat mr. Delescen namens appellant tegen die uitspraak hoger beroep had ingesteld en op verzoek van de Raad nadere gegevens van – onder meer – de belastingdienst had ingezonden, heeft het Uwv bij de in rubriek I van deze uitspraak vermelde brief van 8 mei 2006 bericht het bestreden besluit niet langer te handhaven.
De Raad stelt vast dat er gelet op het bovenstaande tussen partijen geen geschil meer bestaat over de inhoud van het – niet gehandhaafde – bestreden besluit, zodat de Raad zich van een oordeel daaromtrent zal onthouden.
Appellant heeft nog wel belang bij een vernietiging van het bestreden besluit, aangezien hij heeft verzocht het Uwv op de voet van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van renteschade. Met betrekking tot dit verzoek stelt de Raad voorop dat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de herziening en de terugvordering van reeds toegekende en betaalde toeslag over het jaar 2000 en op de oplegging van een boete. Het verzoek om toekenning van renteschade is derhalve slechts toewijsbaar voorzover appellant ter uitvoering van het bestreden besluit bedragen heeft (terug)betaald aan het Uwv, waarbij de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de datum waarop appellant die bedragen aan het Uwv heeft betaald tot aan de datum waarop het Uwv die bedragen aan appellant heeft terugbetaald.
Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten acht de Raad termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € 805,-. Op het ingezonden formulier proceskosten heeft de gemachtigde van appellant voorts een bedrag van € 58,61 opgevoerd als kosten van een deskundige in verband met een declaratie van een accountantskantoor. Deze kosten komen naar het oordeel van de Raad niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien niet is gebleken van een verslag van een deskundige, als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Bpb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade zoals hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan € 322,- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 118,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
MH