ECLI:NL:CRVB:2006:AY8058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en ziekteoorzaak bij WAO-uitkering
Appellant had een WAO-uitkering toegekend gekregen per 29 november 1995 wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, die later werd ingetrokken omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant stelde dat zijn psychische klachten sinds 2000 waren toegenomen en dat deze voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor hij eerder een uitkering ontving, en verzocht om heropening van de uitkering op grond van de Wet Amber.
De rechtbank oordeelde dat de oorspronkelijke toekenning van de WAO-uitkering uitsluitend gebaseerd was op internistische en cardiologische klachten, en dat psychische beperkingen niet aan de uitkering ten grondslag lagen. De Raad stelde echter vast dat ook psychische beperkingen bij de oorspronkelijke toekenning een rol speelden, gebaseerd op medische rapportages van verzekeringsartsen. Desondanks concludeerde de Raad dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen in de belastbaarheid van appellant.
De Raad baseerde dit oordeel op deskundigenrapportages, waaronder die van psychiater G.T. Gerssen, die stelde dat de psychische toestand van appellant in de relevante periode min of meer gelijk bleef. Ook de cardiologische toestand was stabiel. Daarom werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot heropening van de WAO-uitkering wordt afgewezen omdat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.