ECLI:NL:CRVB:2006:AY7821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsgeschiktheid en ziekengeld na zwangerschap en ziekte
Appellante, werkzaam als financieel administratief medewerkster, werd na een ziekenhuisopname en bevalling ziek gemeld met klachten waaronder depressie en ziekte van Pfeiffer. De verzekeringsarts verklaarde haar per 23 juli 2003 arbeidsgeschikt en het UWV weigerde verdere ziekengelduitkering. Appellante stelde dat zij ten onrechte hersteld was verklaard en overlegde medische rapporten van haar huisarts en internist die een andere diagnose stelden.
De Raad stelde vast dat er een duidelijk verschil van inzicht bestond tussen de huisarts en de verzekeringsarts over de aard en ernst van de klachten en de belastbaarheid van appellante. De huisarts stelde een depressie met vitale kenmerken en ziekte van Pfeiffer vast, en schreef rust voor, wat volgens de Raad niet verenigbaar was met fulltime werken. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts gingen hier echter te lichtvaardig aan voorbij.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht was genomen. Het bezwaar en beroep van appellante werden gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Tevens werden het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante in bezwaar, eerste aanleg en hoger beroep. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende inzicht in schade.
Uitkomst: Het besluit van het UWV dat appellante per 23 juli 2003 arbeidsgeschikt verklaarde en verdere ziekengelduitkering weigerde, wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid.