ECLI:NL:CRVB:2006:AY7742

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6243 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • J.Th. Wolleswinkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling erkenning als vervolgingsslachtoffer en weigering periodieke uitkering wegens onvoldoende verminderd functioneren

Appellante, erkend als vervolgingsslachtoffer vanwege psychische en gebitsklachten, heeft beroep ingesteld tegen de weigering van overige voorzieningen en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De Raad overwoog dat alleen de psychische en gebitsklachten in verband staan met de vervolging, terwijl andere klachten zoals long-, gewrichts-, migraine-, maag-, oog- en ME-klachten niet als zodanig werden erkend.

De medische adviezen, gebaseerd op onderzoek door arts A.M. Koop en informatie van behandelende artsen, concludeerden dat de overige klachten van constitutionele of degeneratieve aard zijn en dat appellante ondanks psychische klachten niet als geïnvalideerd kan worden beschouwd. Het dagelijks functioneren van appellante vertoonde geen zodanige beperkingen dat sprake was van invalidering in de zin van de Wet.

Appellante stelde dat het onderzoek tekort schoot en dat haar gehele gezondheid door de oorlogsjaren was aangetast, maar de Raad vond geen aanwijzingen dat het onderzoek onjuist was uitgevoerd of dat de medische adviezen onjuist waren. De Raad concludeerde dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en voorbereid was en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van aanvullende voorzieningen en periodieke uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/6243 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (UK) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 31 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 29 juli 2005, kenmerk JZ/M70/2005, door verweerster te haren aanzien genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2006. Aldaar is appellante niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.H.J. Krajenbrink, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 1 februari 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster appellante (geboren in 1940) erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat de psychische klachten en de gebitsklachten van appellante in het door de Wet vereiste verband staan met de door haar in het voormalige Nederlands-Indië ondergane vervolging. Een zodanig verband is niet aanvaard voor de longklachten, de gewrichtsklachten, de migraine, de maagklachten, de oogklachten en de ME-klachten van appellante; de door appellante op grond van die klachten gevraagde voorzieningen zijn deswege geweigerd. Voorts is geweigerd de door appellante tevens gevraagde periodieke uitkering, dit op de grond dat haar in verband met de vervolging staande ziekten en gebreken niet hebben geleid tot een verminderd functioneren in de zin van artikel 7 van Pro de Wet.
In beroep heeft appellante erop gewezen - kort samengevat - dat door de tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië ondergane internering haar gezondheid dermate is ondermijnd dat alle thans ondervonden gezondheidsklachten daaraan dienen te worden toegeschreven. Naar de mening van appellante is haar hele leven getekend door de gebeurtenissen in de oorlogsjaren en heeft zij daardoor altijd minder kunnen functioneren dan haar leeftijdgenoten. Naar haar oordeel heeft de arts die haar namens verweerster heeft onderzocht aan een en ander ten onrechte onvoldoende aandacht besteed.
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Verweersters besluit is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van door een van deze adviseurs, de arts A.M. Koop op 23 augustus 2004 verricht onderzoek bij appellante, en op informatie uit de behandelende sector. In die adviezen is aangegeven dat de longklachten ten tijde van het onderzoek niet aanwezig waren, dat de gewrichtsklachten en de oogklachten berusten op degeneratieve afwijkingen, dat de migraine beschouwd moet worden als een constitutionele aandoening, dat de maag-klachten berusten op een in 1985 vastgestelde hiatus hernia, welke aandoening als van constitutionele/degeneratieve aard is aan te merken evenals de in 1998 vastgestelde ME. Voorts is op grond van het activiteitenpatroon waaraan bij het onderzoek uitvoerig aandacht is besteed, geconcludeerd dat appellante als gevolg van haar psychische klachten wel enige beperkingen heeft in het leven van alledag - met name voortvloeiend uit haar slaapproblemen - maar niet zodanig dat, in vergelijking met leeftijdgenoten, gesproken kan worden van invalidering in de zin van de Wet.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd. Appellante heeft wel betoogd dat de onderzoekend arts Koop bij haar onderzoek ernstig is tekort geschoten, maar de Raad heeft aan de hand van de voorhanden gegevens niet kunnen vaststellen dat zulks het geval is. Uit het terzake opgemaakte rapport blijkt dat alle relevante gezondheidsaspecten aan de orde zijn geweest en bij het uitgebrachte advies is de van de appellante behandelend artsen ontvangen informatie in aanmerking genomen. De in het opgemaakte rapport gemaakte fouten - waarop appellante ook heeft gewezen - zijn deels terug te voeren op typefouten. Niet is gebleken dat het hierbij gaat om wezenlijke, de uitslag van de beoordeling beïnvloedende zaken.
De voorhanden medische gegevens bieden voorts ook geen houvast om te twijfelen aan de juistheid van verweersters, aan genoemde medische adviezen ontleende opvatting dat de bovenvermelde, voor de toepassing van de Wet niet aanvaarde aandoeningen niet in het vereiste verband staan met de vervolging. Het hierover in de medische adviezen gegeven oordeel spoort met de over deze aandoeningen verkregen behandelgegevens, zoals vervat in het op 2 juni 2004 ten behoeve van verweersters geneeskundig adviseur door de huisarts van appellant, dr. R.J. Habershon, opgestelde overzicht. In dit overzicht is door deze arts wel aangegeven dat naar zijn oordeel de oorlogsgebeurtenissen het latere leven van appellante hebben gekleurd en haar vermogen om op alle niveaus te functioneren aanzienlijk hebben beperkt, maar niet - zoals in latere verklaringen wel is geschied - dat de onderhavige aandoeningen in causaal verband staan met de vervolging. Aangezien die latere verklaringen niet met medische gegevens zijn gemotiveerd kan de Raad daaraan geen grondslag ontlenen voor een ander oordeel.
Ditzelfde geldt voor de stelling van appellante dat de aanvaarding van gebitsklachten als verband houdend met de vervolging, niet is te rijmen met de afwijzing als zodanig van de gewrichtsklachten. Zoals namens verweerster in beroep is uiteengezet - en naar de Raad in eerdere soortgelijke gedingen, op basis van uitvoerige medische documentatie, ook heeft onderschreven - is hier van belang dat de op jeugdige leeftijd ondervonden gevolgen van ondervoeding voor het botstelsel geacht worden van tijdelijke aard te zijn, aangezien de maximale botmassa (peak bone mass) omstreeks het 25e jaar wordt bereikt zodat er in het algemeen voldoende tijd is voor compensatie van de voedingstekorten.
Aanwijzingen dat dit bij appellante - op grond van aan haar vervolging toe te schrijven omstandigheden - anders is geweest zijn niet aan enig medisch gegeven te ontlenen.
Evenmin heeft de Raad in de gedingstukken voldoende aanknopingspunten gevonden om onjuist te oordelen het in de aan verweerster uitgebrachte medische adviezen verwoorde standpunt dat appellante op grond van haar causale psychische klachten niet als geïnvalideerd is te beschouwen. Uit het door de geneeskundig adviseur Koop bij haar onderzoek vermelde activiteitenpatroon blijkt dat appellante zich - ondanks haar klachten - in het dagelijks leven, gelet op met name ook haar sociaal functioneren en in vakantiepatroon en hobby's, relatief goed kan redden.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) M.R.S. Bacon.
HD
21.08