ECLI:NL:CRVB:2006:AY7691

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4197 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering verhoging WAO-dagloon wegens niet meegenomen toeslagen en extra reisdagen

Appellante, erfgename van betrokkene, stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV waarin het bezwaar tegen de vaststelling van het WAO-dagloon werd afgewezen. Betrokkene had verzocht om verhoging van het dagloon omdat het UWV geen rekening had gehouden met zes extra reisdagen, extra vakantiedagen, CAO-toeslag, TIN-toeslag, overwerktoeslag en de berekening van vakantietoeslag over de bijgetelde vergoeding.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad onderschreef dat het vaste maandloon niet verandert door minder werkbare dagen en dat betrokkene onvoldoende bewijs leverde voor TIN- en vuilwerktoeslag. Wel werd vastgesteld dat de CAO-toeslag van f 73,00 in de referteperiode wel meegenomen moest worden.

De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het UWV in de proceskosten. Tevens werd het griffierecht aan appellante vergoed. Hiermee werd het UWV opgedragen het dagloon opnieuw te herzien met inachtneming van de CAO-toeslag.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

04/4197 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de erfgename van [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juli 2004, kenmerk 03/480 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 24 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Namens appellante is verschenen mr. P.H.A. Brauer, kantoorgenoot van mr. Crutzen, en gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
[betrokkene] (verder te noemen: betrokkene) werkte laatstelijk bij Volvo Car B.V. te Born. Bij besluit van 29 juni 1989 heeft het Uwv met ingang van 23 augustus 1989 aan betrokkene een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 151,10. In dit besluit heeft betrokkene berust.
Namens betrokkene is verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de reiskostenvergoeding voor een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst, zes extra reisdagen en extra vakantieverlof.
Bij besluit van 9 december 2002 heeft het Uwv het WAO-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht verhoogd tot € 71,27. Hierbij is rekening gehouden met een reiskostenvergoeding ad € 702,45 per jaar. In bezwaar tegen dit besluit heeft betrokkene onder meer aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zes extra reisdagen, extra vakantiedagen, CAO-toeslag, TIN-toeslag, overwerktoeslag en dat over de bijgetelde vergoeding vakantietoeslag moet worden berekend. Bij het bestreden besluit van 26 februari 2003 is het bezwaar ongegrond verklaard.
Betrokkene is op 27 juli 2003 overleden.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante het standpunt ten aanzien van de zes extra reisdagen en CAO-toeslag herhaald. Ook bestrijdt appellante de overweging van de rechtbank dat in de SAO-toeslag de TIN-toeslag en vuilwerktoeslag zijn inbegrepen.
De Raad overweegt als volgt.
Op verzoek van betrokkene is het Uwv teruggekomen van het besluit van 29 juni 1989.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 juli 2005 (LJN: AU0008) is het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid en kan de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan betrokkene is aan te geven waarom de eerdere besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen -uiterlijk in de bezwaarfase- het nodige bewijs te leveren.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter.
Nu betrokkene heeft berust in de oorspronkelijke dagloonvaststelling ligt het op zijn weg gegevens aan te dragen waaruit volgt dat de eerdere dagloonvaststelling onjuist is. Hierin is betrokkene niet geslaagd. Door betrokkene zijn geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat hij in de referteperiode een TIN-toeslag of vuilwerktoeslag ontving.
Betrokkene heeft in bezwaar een salarisspecificatie van periode 5 van 1988 overgelegd, waarin staat vermeld dat in die periode een CAO-toeslag van f 73,00 is betaald. Gelet op hetgeen de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 9 maart 2006, LJN AV5867, dient met dit bedrag alsnog rekening te worden gehouden bij de herziening van het WAO-dagloon.
Uit al het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 1288,-- wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1288,-- en te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht ad € 133,-- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
JK/1786