ECLI:NL:CRVB:2006:AY7633
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in oktober 2004 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag werd door verweerster afgewezen omdat niet was aangetoond dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de wet.
Appellante stelde dat zij tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode onder moeilijke omstandigheden heeft geleefd, mede door de krijgsgevangenschap van haar vader, en dat zij meerdere malen in levensbedreigende situaties verkeerde door acties van extremisten. Tevens zou zij geconfronteerd zijn met geweld tegen derden. De Raad concludeerde echter dat er geen bevestiging was van directe betrokkenheid of confrontatie met oorlogsgeweld, mede op basis van getuigenverklaringen van twee zussen van appellante.
De Raad benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden zoals ontwrichting van het gezinsleven, armoede en dreiging niet leiden tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. De erkenning is gebonden aan specifieke gebeurtenissen zoals omschreven in de wet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen wegens ontbreken van aantoonbaar oorlogsgeweld.