ECLI:NL:CRVB:2006:AY6887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeid als maatstaf voor nieuw ziektegeval na eerdere WAO-schatting
Appellante werd in 1999 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt verklaard en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een mate van 80 tot 100%. Na herbeoordelingen in 2000 en 2001 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%, waarbij zij in staat werd geacht halve dagen lichte arbeid in een stof- en prikkelarme omgeving te verrichten.
In 2001 meldde appellante zich ziek tijdens een verblijf in Turkije, waarna het UWV bij besluit van februari 2002 ziekengeld weigerde wegens het ontbreken van verzekering. Na bezwaar werd dit besluit in juni 2002 herroepen en volgde een medische beoordeling. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde in 2003 dat de psychische klachten waren opgehelderd en dat de overige lichamelijke klachten niet ernstig waren, waardoor de beperkingen niet herzien werden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, mede omdat appellante haar standpunt niet met medische stukken onderbouwde en de klachten van schildklier en benen niet bestonden op het moment van de ziekmelding. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de arbeid die in 2001 als geschikt werd aangemerkt de maatstaf is voor het nieuwe ziektegeval. De Raad acht geen reden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en verklaart het bezwaar ongegrond.