ECLI:NL:CRVB:2006:AY6650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte WAO-dagloon en toeslagen in hoger beroep
Appellant, voormalig werknemer bij een werkgever, kreeg in 1984 een WAO-uitkering toegekend met een vastgesteld dagloon. Hij verzocht later om verhoging van het dagloon met diverse toeslagen zoals pensionkostentoeslag, extra reisdagen, en vakantietoeslag. Het UWV verhoogde het dagloon in 2002 enigszins, maar wees verdere toeslagen af. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht geen wettelijke rente hoefde te vergoeden, maar bevestigde de dagloonvaststelling.
In hoger beroep stelde appellant dat het dagloon onjuist was vastgesteld omdat niet alle toeslagen waren meegenomen. De Raad overwoog dat het terugkomen op een onaantastbaar besluit slechts terughoudend kan worden getoetst en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor de gevorderde toeslagen. De Raad onderschreef dat het feit dat appellant minder reisdagen had dan collega’s geen grond is voor verhoging van het dagloon.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten toegewezen. De beslissing werd op 3 augustus 2006 in het openbaar uitgesproken door rechter G. van der Wiel.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel dat het WAO-dagloon correct is vastgesteld zonder toekenning van extra toeslagen en wijst het hoger beroep af.