ECLI:NL:CRVB:2006:AY6402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbrekende onderbouwing met in stand laten rechtsgevolgen
Appellante, een voormalige fulltime bloembindster, kreeg vanaf 2001 geen WAO-uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na meerdere medische en arbeidskundige beoordelingen, waaronder een diagnose van de ziekte van Sjögren, werd haar bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar belastbaarheid onjuist was vastgesteld door pijn-, vermoeidheids- en psychische klachten. Zij overlegde aanvullende medische verklaringen. De Raad beoordeelde de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder de Functionele Mogelijkheden Lijst, en concludeerde dat het oordeel van de rechtbank stand kon houden.
De Raad stelde echter vast dat het gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) hoge eisen stelt aan motivering en verslaglegging. Omdat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 was genomen en de onderbouwing aanvankelijk ontbrak, vernietigde de Raad de uitspraak en het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit op grond van artikel 8:72 Awb Pro in stand.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 augustus 2006.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.