ECLI:NL:CRVB:2006:AY6354
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens onvoldoende bewijs psychische arbeidsongeschiktheid
Betrokkene was doktersassistente en meldde zich ziek wegens nek- en rugklachten na een brommerongeval, later aangevuld met psychische klachten. Ziekengeld werd aanvankelijk toegekend, maar per 7 juli 2003 beëindigd. Betrokkene maakte bezwaar en beroep tegen de beëindiging, waarbij de rechtbank het beroep gegrond verklaarde vanwege onvoldoende onderzoek naar psychische arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek door verzekeringsarts Lafeber adequaat was en dat betrokkene geen medisch bewijs had aangeleverd ter onderbouwing van haar psychische klachten. Betrokkene was niet verschenen op de hoorzitting en had geen nieuwe objectiveerbare gegevens aangedragen.
De Raad concludeerde dat het onderzoek voldoende zorgvuldig was en dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid per 25 augustus 2003 overtuigend was. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de weigering van ziekengeld stand hield.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van ziekengeld wegens onvoldoende bewijs van psychische arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.