ECLI:NL:CRVB:2006:AY6135
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en een toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Haar verzoek werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Zij baseerde haar aanvraag op gezondheidsklachten die zij verbindt aan gedwongen tewerkstelling door de Japanners, verblijf buitenshuis, een ontvoering en vlucht tijdens de Bersiap-periode. De Raad concludeerde dat het verblijf in de ouderlijke woning en de werkzaamheden thuis niet onder de Wet vallen, dat de vlucht niet vanuit een levensbedreigende situatie plaatsvond en dat de ontvoering niet objectief is bevestigd.
Appellante verwees naar familieleden die wel erkend zijn, maar de Raad oordeelde dat hun erkenning gebaseerd is op andere oorlogservaringen die appellante niet deelde. De Raad vond dat een medische beoordeling niet aan de orde was zolang niet vaststaat dat sprake is van een gebeurtenis binnen de Wet. Het beroep werd ongegrond verklaard en een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van erkenning als burgeroorlogsslachtoffer blijft in stand.