ECLI:NL:CRVB:2006:AY5965
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken vervolging
Appellant, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in december 2004 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat zijn vader kort na de Japanse inval met geweld werd weggevoerd om aan de Birma-spoorlijn te werken, terwijl hijzelf met zijn moeder en zusje enige maanden onderdook.
De verweerster wees de aanvraag af omdat appellant geen vrijheidsberoving had ondergaan zoals vereist door de Wet, en de omstandigheden van onderduiken niet uitzonderlijk genoeg waren om hem gelijk te stellen met een vervolgde. De Raad bevestigde dit oordeel na onderzoek en stelde vast dat appellant na de onderduikperiode terugkeerde naar het door de Japanners geplunderde huis en niet verder werd lastiggevallen.
De Raad oordeelde dat de discretionaire bevoegdheid van verweerster om gelijkstelling toe te passen niet tot een ander besluit leidde, mede omdat het wegvoeren van de vader niet gepaard ging met excessief geweld en appellant geen objectief gevaar liep op internering. De ingediende verklaringen van getuigen over de slechte omstandigheden na het wegvoeren van de vader waren onvoldoende om het besluit te vernietigen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door H.R. Geerling-Brouwer op 27 juli 2006.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor een periodieke uitkering wordt gehandhaafd.