ECLI:NL:CRVB:2006:AY5949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4416 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als keukenhulp, meldde zich op 9 oktober 2000 ziek met psychische klachten. De verzekeringsarts stelde een depressie vast met beperkingen, maar concludeerde dat appellant geschikt was voor eenvoudig gestructureerd werk met bepaalde beperkingen. De arbeidsdeskundige vond geen verlies aan verdiencapaciteit. Het UWV weigerde de WAO-uitkering per 8 oktober 2001.

In de bezwaarprocedure bevestigde de bezwaarverzekeringsarts deze beoordeling, ondanks aanvullende informatie over de psychische toestand van appellant. De rechtbank Arnhem oordeelde dat het UWV de medische beperkingen niet had onderschat en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen reden om af te wijken van het eerdere oordeel.

De Raad benadrukte dat de medische en arbeidskundige grondslagen zorgvuldig waren gewogen en dat de reis van appellant naar Marokko na de datum in geschil geen invloed had op de beoordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/4416 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juli 2004, 02/2766 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 8 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en in aansluiting daarop het rapport van de bezwaarverzekeringsarts
M.P.W. Kreté van 28 december 2004 ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 juni 2006. Partijen – appellant met kennisgeving – zijn niet ter zitting verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als keukenhulp toen hij zich op 9 oktober 2000 ziek meldde met psychische klachten. De verzekeringsarts J.K. Jansen had blijkens het rapport van 14 november 2001/7 maart 2002 de beschikking over informatie van de appellant behandelend psychiater L. Teerink van 1 februari 2002. Volgens Teerink was er bij appellant sprake van een depressief toestandsbeeld, gepaard gaande met vitale kenmerken en agitatie met mogelijk prepsychotische belevingen. De draagkracht was laag en appellant kon moeilijk taken combineren. Jansen stelde de diagnose depressie en concludeerde dat appellant, gelet op de informatie van Teerink en de bevindingen bij zijn eigen onderzoek, aangewezen was op eenvoudig gestructureerd werk met beperkingen ten aanzien van werkdruk en conflicthantering. Gezien de duizeligheid en het medicijngebruik mocht appellant, aldus Jansen niet werken op hoogten en niet als chauffeur, en voorts is in verband met slaapstoornissen werk zonder nachtdiensten aangewezen. Jansen legde zijn bevindingen vast in een handgeschreven FIS-formulier, dat uitwerking vond in het belastbaarheidspatroon van 15 maart 2002. Op basis van een en ander en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 maart 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige J.J.A. Faber blijkens het rapport van 26 april 2002 een aantal functies en stelde hij vast dat er, uitgaande van de drie hoogst verlonende functies, geen sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit. Vervolgens weigerde het Uwv bij zijn primaire besluit van 3 mei 2002 met ingang van 8 oktober 2001 de door appellant gevraagde uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering.
In de bezwaarprocedure onderschreef de bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke blijkens diens rapport van 23 oktober 2002 het onderzoek van Jansen. Fokke beschikte over nadere informatie van Teerink van 16 september 2002, die toen sprak van een vitaal depressief toestandsbeeld met lichte psychotische fenomenen waarbij op zich een redelijke draagkracht leek te bestaan. Volgens Fokke was er geen aanleiding om, zoals namens appellant in het aanvullend bezwaarschrift was gesteld, tevens beperkingen op te nemen ten aanzien van dwingend werktempo, conflicterende functie-eisen en monotoon werk. Mede op basis van het rapport van Fokke verklaarde het Uwv bij zijn besluit van 4 november 2002 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond.
De rechtbank onderschreef de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 4 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) en verklaarde het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. Zij zag in de beschikbare medische gegevens, waaronder ook de brief van Teerink van 16 september 2002, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant zou hebben onderschat. De opmerking van Fokke dat appellant in staat was geweest om in de zomer van 2002 een reis naar Marokko te maken, achtte de rechtbank voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding niet van belang.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de eerder voorgedragen bezwaren inzake de medische grondslag van het bestreden besluit in essentie herhaald.
De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens omtrent appellant geen aanleiding gezien om inzake de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. De Raad wijst erop dat Fokke de beschikbare informatie van Teerink heeft gewogen en heeft gemotiveerd waarom deze niet tot verdergaande beperkingen diende te leiden dan door Jansen zijn aangenomen. Met betrekking tot de opmerking in het rapport van Fokke omtrent de reis naar Marokko wees Kreté in het in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapport er nog op dat deze reis ruim na de datum in geding viel en derhalve niet relevant is voor de onderhavige beoordeling, welke volgens Kreté berust op het onderzoek van Jansen en de informatie van Teerink. De Raad acht deze toelichting, waarin ook gemotiveerd is aangegeven dat voor een urenbeperking geen aanleiding bestaat, niet onaanvaardbaar.
Nu de Raad, mede bezien in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, ook geen aanleiding ziet de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit rechtens onjuist te achten, komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.H.A. Jenniskens.