ECLI:NL:CRVB:2006:AY5947
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding extra vervoerskosten voor bezoek verpleeghuis echtgenote wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, die psychische klachten heeft als gevolg van ervaringen tijdens de Duitse bezetting, verzocht verweerster om een vergoeding voor extra vervoerskosten die hij maakt bij het bezoeken van zijn in een verpleeghuis opgenomen echtgenote. Deze vergoeding werd afgewezen omdat appellant geen beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer, wat een vereiste is voor toekenning van een vergoeding op grond van artikel 20 van Pro de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Appellant voerde aan dat het openbaar vervoer onbruikbaar is vanwege de ligging van het verpleeghuis op een heuvel, ver van de dichtstbijzijnde bushalte en bereikbaar via een moeilijk begaanbare route. De Raad oordeelde echter dat deze praktische bereikbaarheidproblemen niet in aanmerking mogen worden genomen binnen de toepassing van de Wet, omdat er geen verband is met de psychische klachten.
Hoewel de Raad begrip toonde voor de moeilijke situatie van appellant en het belang van de bezoeken, concludeerde zij dat de afwijzing terecht is omdat de medische noodzaak voor extra vervoerskosten ontbreekt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor extra vervoerskosten bevestigd.