ECLI:NL:CRVB:2006:AY5924

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-67 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan belang bij WAO-uitkering

Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het UWV waarin zijn bezwaar gegrond werd verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 80-100%. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat het UWV al volledig aan de wensen van appellant had voldaan met het besluit van 11 november 2004.

Appellant richtte zich vooral op het niet uitvoeren van dat besluit door het UWV, maar de Raad oordeelde dat deze weigering buiten de reikwijdte van het bestreden besluit valt. De Raad bevestigde dat de grieven deels reeds in eerste aanleg waren afgewezen en dat de overige grieven niet relevant waren voor de huidige rechtsvraag.

Daarmee werd het beroep van appellant niet ontvankelijk verklaard en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

06/67 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 november 2005, 05/1286 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 augustus 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft voorts nadere stukken ingediend.
Beide partijen hebben desgevraagd schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.
II. OVERWEGINGEN
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven en heeft hij het onderzoek gesloten.
Voor een uiteenzetting van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De in hoger beroep voorliggende vraag is of in de aangevallen uitspraak terecht is overwogen dat het beroep van appellant tegen het besluit van 18 april 2005 (bestreden besluit), waarin het Uwv het bezwaar van appellant gegrond heeft verklaard en appellant heeft meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid reeds bij besluit van 11 november 2004 is vastgesteld op 80-100%, wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaard is.
De Raad overweegt als volgt.
Bij het besluit van 11 november 2004 is het Uwv, door de mate van appellants arbeidsongeschiktheid op 80-100% vast te stellen, geheel aan appellant tegemoet gekomen. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant te kennen gegeven dat zijn beroep zich vooral richt op het feit dat het Uwv geen uitvoering aan dat besluit heeft gegeven.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat er onvoldoende belang is om appellant in zijn beroep te ontvangen nu het Uwv geheel aan de wensen van appellant tegemoet is gekomen en dat de weigering van het Uwv om aan het besluit van 11 november 2004 uitvoering te geven buiten de reikwijdte van het bestreden besluit valt.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, betreft deels grieven die in eerste aanleg reeds zijn aangevoerd en die door de rechtbank op goede gronden zijn verworpen en voor het overige grieven die geen betrekking hebben op de thans in geding zijnde rechtsvraag.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de in rubriek II vermelde vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.