ECLI:NL:CRVB:2006:AY5570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenplicht Algemene nabestaandenwet
Appellante ontving tot december 2000 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Op 16 oktober 2000 meldde zij dat zij sinds 19 mei 1999 samenwoonde met een partner, waarna de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering beëindigde en de te veel ontvangen bedragen terugvorderde.
De Svb legde appellante een boete op wegens het niet tijdig melden van de wijziging in haar woonsituatie. Hoewel het openbaar ministerie de strafzaak seponeerde, stelde de Svb dat dit niet belette dat een bestuurlijke boete kon worden opgelegd. Appellante voerde aan dat op grond van artikel 42, tweede lid, ANW geen boete mocht worden opgelegd omdat de strafvervolging was beëindigd.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat het sepot niet leidde tot een verbod op het opleggen van een boete. De Raad vond geen nieuwe argumenten in hoger beroep en bevestigde de boete. Tevens werd geoordeeld dat appellante verwijtbaar handelde door de samenwoning niet tijdig te melden, ondanks haar spontane melding later.
De Raad concludeert dat de boete terecht is opgelegd en dat de wettelijke bepalingen en beleidsregels dit ondersteunen, ook bij een technisch sepot van het openbaar ministerie.
Uitkomst: De boete van €302,50 wegens het niet tijdig melden van samenwoning wordt bevestigd.