ECLI:NL:CRVB:2006:AY4787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens ontbreken ingezetenschap Nederland
In deze zaak staat centraal of appellant gedurende de periode van 3 april 1961 tot en met 30 augustus 1966 als ingezetene in de zin van de AOW kan worden beschouwd, hetgeen bepalend is voor de hoogte van zijn AOW-pensioen. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft een korting van 10% toegepast omdat zij van oordeel was dat appellant in die periode niet in Nederland woonde.
Appellant voerde aan dat hij ondanks zijn studie in België zijn domicilie en het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland had, onder meer omdat hij slechts beperkt in België verbleef en financieel door zijn ouders in Nederland werd onderhouden. De Raad heeft deze stellingen getoetst aan de jurisprudentie over ingezetenschap, waarbij vooral gekeken wordt naar juridische, economische en sociale bindingen met Nederland.
De Raad concludeert dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd om aannemelijk te maken dat hij in genoemde periode in Nederland woonde of dat zijn maatschappelijk leven zich in Nederland afspeelde. Ook na afronding van zijn studie heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in Nederland woonachtig was.
Op grond hiervan bevestigt de Centrale Raad van Beroep het besluit van de SVB en de uitspraak van de rechtbank waarin de korting op het AOW-pensioen is gehandhaafd. De uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans en op 29 juni 2006 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De korting van 10% op het AOW-pensioen wordt bevestigd omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode 1961-1966 in Nederland woonde.