ECLI:NL:CRVB:2006:AY4126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdig beslissen UWV over WAO-uitkering
Verzoeker heeft zijn werk gestaakt wegens gezondheidsklachten en verzocht het UWV om een WAO-uitkering. Het UWV kende hem een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15-25%, later verhoogd naar 25-35%. Verzoeker stelde dat het UWV niet tijdig op zijn bezwaar had beslist en dat zijn uitkering onjuist was vastgesteld, waarna hij een voorlopige voorziening vroeg vanwege financiële problemen.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het bezwaar inmiddels was behandeld en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het verzoek om voorlopige voorziening alleen betrekking had op het niet tijdig beslissen op bezwaar en dat de inhoudelijke besluiten over de hoogte van de uitkering niet in deze procedure aan de orde waren. Er was geen bewijs dat het UWV onjuist had gehandeld bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid of de toepassing van artikel 44 WAO Pro. Ook ontbrak de vereiste connexiteit voor een voorlopige voorziening over latere besluiten.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter T.L. de Vries op 12 juli 2006.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het niet tijdig beslissen door het UWV werd afgewezen.