ECLI:NL:CRVB:2006:AY3900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1588 AW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:19 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak RSI-schadevergoeding ambtenaar Universiteit Utrecht

Verzoekster was werkzaam bij de faculteit ruimtelijke wetenschappen van de Universiteit Utrecht en stelde de universiteit aansprakelijk voor RSI-klachten die zij tijdens haar werkzaamheden heeft opgelopen. Het College van bestuur weigerde aanvankelijk een schadevergoeding toe te kennen, een besluit dat na bezwaar werd gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster gegrond, vernietigde het besluit en gaf het College van bestuur opdracht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen dat verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt dat haar RSI-klachten in overwegende mate door haar werkzaamheden werden veroorzaakt. Het College moest aantonen dat aan de zorgplicht was voldaan of dat de schade het gevolg was van opzet of bewuste roekeloosheid.

Het College nam een nieuw besluit waarin opnieuw werd geweigerd tot vergoeding over te gaan, met de motivering dat aan de zorgplicht was voldaan, zowel preventief als concreet ten aanzien van de werkplek en begeleiding van verzoekster.

Verzoekster vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening in het hoger beroep, stellende dat het College nog niet had vastgesteld dat zij had voldaan aan haar stelplicht. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat geen spoedeisend belang bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening, nu het College inmiddels een besluit had genomen en grieven tegen dit besluit in de bodemprocedure kunnen worden behandeld.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

06/1588 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
het College van bestuur van de Universiteit Utrecht
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 december 2005, 05/882 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het College van bestuur van de Universiteit Utrecht (hierna: College).
Datum uitspraak: 10 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoekster was van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999, van 1 januari 2000 tot 1 juli 2000 en van 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 werkzaam als [naam functie] bij de faculteit ruimtelijke wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Bij brief van 10 januari 2003 heeft zij de Universiteit Utrecht aansprakelijk gesteld voor de schade door gezondheidsklachten als gevolg van Repetitive Strain Injuries (verder: RSI) die volgens haar zijn ontstaan door de werkzaamheden die ze tijdens de perioden dat ze voor de Universiteit Utrecht werkzaam was heeft verricht.
1.2. Bij besluit van 29 juli 2004 is geweigerd aan verzoekster een schadevergoeding te verstrekken, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van het College van bestuur van 3 maart 2005.
2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 december 2005 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, en bepaald dat het College van bestuur een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft hierbij gemotiveerd overwogen dat verzoekster voldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de RSI-klachten in overwegende mate hun oorzaak vinden in de door haar bij de Universiteit Utrecht uitgevoerde werkzaamheden. Gelet hierop had het volgens de rechtbank op de weg van het College van bestuur gelegen om aan te tonen dat zij haar uit het tweede lid van artikel 2.9. van de CAO voortvloeiende verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. De rechtbank heeft tevens bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.
3. Het College van bestuur heeft hoger beroep ingesteld.
4. Namens verzoekster heeft mr. T. Bogers, advocaat te Utrecht, bij schrijven van
22 februari 2006 bij de rechtbank Utrecht beroep ingesteld tegen de weigering van het College van bestuur om uitvoering te geven aan de onder 2 weergegeven uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van oplegging van dwangsommen. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, welk college dit weer heeft doorgezonden naar deze Raad.
5. Het College van bestuur heeft ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank op 3 april 2006 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij opnieuw is geweigerd tot vergoeding van schade over te gaan. Na nader onderzoek is geconcludeerd dat niet alleen in preventief opzicht en wat betreft de inrichting van de personele zorgorganisatie is voldaan aan de zorgplicht, maar ook in concreto op het gebied van de inrichting van de werkplek van verzoekster, de gestelde eisen aan werktempo en termijnen en de dagelijkse werkbegeleiding.
6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
6.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad dient in hoger beroep ook de door verzoekster aangevochten (fictieve) weigering om te beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te worden beoordeeld. In dat kader kan ook een voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6.2. Nadat het College van bestuur het onder 4. genoemde besluit heeft genomen is aan verzoeksters gemachtigde verzocht aan te geven waarin nog het belang en het spoedeisend karakter van het (gehandhaafde) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen. Hierop is door mr. Bogers bij brief van 28 juni 2006 meegedeeld dat er nog steeds een spoedeisend belang bestaat, omdat er bij het nadere besluit van 3 april 2006 nog steeds niet is vastgesteld dat Burema voldeed aan de stelplicht dat ze schade leed in de uitvoering van haar werkzaamheden. Het besluit ziet slechts op de vraag of is voldaan aan de zorgplicht, terwijl de rechtbank volgens mr. Bogers ook opdracht heeft gegeven een besluit te nemen, inhoudende dat verzoekster had voldaan aan de stelplicht.
6.3. De voorzieningenrechter ziet in deze thans namens verzoekster gegeven onderbouwing van het verzoek geen enkel (spoedeisend) belang gelegen dat aanleiding zou moeten zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft in de in geding zijnde uitspraak geoordeeld dat verzoekster het verband tussen haar klachten en de werkzaamheden in voldoende mate heeft aangetoond. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank geoordeeld dat het College van bestuur nog diende aan te tonen dat aan de zorgplicht was voldaan. Het College van bestuur heeft daaromtrent beslist in het onder 4. beschreven nadere besluit. Van een weigering te beslissen is thans geen sprake meer. Grieven tegen het nadere besluit kunnen in de bodemprocedure aan de orde worden gesteld.
7. Gezien het vorenstaande is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond.
8. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar 10 juli 2006, in tegenwoordigheid van F.M.S. Requisizione als griffier.
(get.) A. Beuker-Tilstra
(get.) F.M.S. Requisizione
FB/10/7