ECLI:NL:CRVB:2006:AY3608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en weigering ziekengeld in hoger beroep tegen UWV-besluiten
Appellant, voormalig metaalbewerker, viel op 17 januari 2000 uit wegens knieklachten en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25-35%. Na ziekmelding wegens psychische klachten per 24 december 2001 weigerde het UWV ziekengeld toe te kennen. Medische en arbeidskundige onderzoeken concludeerden dat appellant geschikt was voor alternatieve functies, wat door de Raad werd bevestigd.
De rechtbank vernietigde het besluit omtrent de ziekengeldweigering deels, met terugwerkende kracht tot 7 mei 2002, maar de Raad bevestigde het oordeel dat appellant niet ongeschikt was voor zijn arbeid en dat de weigering vanaf 24 december 2001 terecht was. Tevens werd de herziening van de WAO-uitkering naar een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse van 15-25% bevestigd.
De Raad nam de medische rapporten en arbeidsdeskundige adviezen in overweging en concludeerde dat appellant onvoldoende medische informatie aanleverde om het oordeel te weerleggen. De Raad oordeelde dat de functies die aan appellant werden voorgehouden passend en actueel waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet onderschat was. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV bevestigd.