ECLI:NL:CRVB:2006:AY1969
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag gelijkstelling met vervolgd persoon op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2004 een aanvraag ingediend om met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 gelijk te worden gesteld met de vervolgde en een periodieke uitkering te ontvangen. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting onder moeilijke omstandigheden leefde nadat zijn vader geïnterneerd was.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De Raad definieert vervolging als handelingen van de vijandelijke bezettende macht die leiden tot vrijheidsberoving in concentratiekampen of gevangenissen, wat bij appellant niet het geval was.
De Raad overweegt dat appellant niet in omstandigheden verkeerde die vergelijkbaar zijn met vervolging, zoals het wegvoeren van een ouder onder traumatiserende omstandigheden. De vader van appellant was na de oorlog teruggekeerd en herenigd met het gezin. Ook de omstandigheden van angst en armoede waarin appellant leefde onderscheiden zich niet ongunstig van andere personen uit dezelfde bevolkingsgroep.
De Raad wijst ook het beroep af dat appellant baseerde op algemene informatie uit een brochure over de Wet, omdat concrete toepassing van de Wet afhankelijk is van feitelijke omstandigheden. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en zijn aanvraag tot gelijkstelling met de vervolgde wordt afgewezen.