AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vergoeding reiskosten naar Indonesië wegens ontbreken medische noodzaak
Appellante, gelijkgesteld met een vervolgingsslachtoffer op grond van psychische klachten gerelateerd aan oorlogsomstandigheden, verzocht om vergoeding van reiskosten naar Indonesië. Deze aanvraag werd door de Pensioen- en Uitkeringsraad afgewezen omdat de reis niet onderdeel was van een psychotherapeutisch behandelplan of de afronding daarvan.
De Raad stelde vast dat appellante ten tijde van de aanvraag niet meer onder behandeling was voor haar psychische klachten, waardoor niet voldaan werd aan de strikte medische noodzaak die vereist is voor vergoeding op grond van artikel 20 vanPro de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
De Raad verwierp het beroep van appellante en oordeelde dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Een nieuwe verklaring van het RIAGG na het besluit kon niet worden meegewogen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding voor de reis naar Indonesië wordt geweigerd wegens ontbreken van medische noodzaak.
Uitspraak
05/5819 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 13 september 2005, kenmerk JZ/M70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Daar is, zoals aangekondigd, noch appellante noch haar gemachtigde mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, bij besluit van verweerster van 9 november 1993 gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet op grond van de overweging dat de bij appellante bestaande psychische klachten redelijkerwijs in verband staan met haar oorlogsomstandigheden.
Appellante heeft in maart 2005 bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding ter zake van de kosten verbonden aan een reis naar Indonesië.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 20 juni 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de - aan medische adviezen ontleende - grond dat de gevraagde voorziening in verband met de bij appellante bestaande psychische klachten niet medisch noodzakelijk is. In het bijzonder is overwogen dat de reis niet plaatsvindt in het kader van een psychotherapeutisch behandelplan dan wel ter afronding van een psychotherapeutische behandeling.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Verweerster acht een voorziening inzake de kosten verbonden aan een reis naar Indonesië slechts mogelijk op grond van artikel 20 vanPro de Wet, hetgeen betekent dat voor de reis een strikt medische noodzaak aanwezig dient te zijn. Een dergelijke noodzaak acht verweerster aanwezig indien wordt voldaan aan de richtlijnen die zij hanteert ten aanzien van de zogeheten therapeutische reizen. Deze richtlijnen houden in dat - kort gezegd - de reis naar het buitenland een onderdeel vormt van een psychiatrische of psychotherapeutische behandeling en/of de afsluiting vormt van een dergelijke behandeling.
De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerster, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in zijn algemeenheid niet onjuist of onredelijk te achten.
Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat appellante ten tijde van de aanvraag niet (meer) vanwege haar psychische klachten onder behandeling was, zodat om die reden al geen sprake is van een reis die plaatsvindt in het kader van een psycho-therapeutische behandeling.
Naar het oordeel van de Raad is dan ook niet voldaan aan de voor de toekenning van de gevraagde voorzienig door verweerster gestelde vereisten. Van bijzondere omstandigheden aan de kant van appellante die voor verweerster aanleiding hadden moeten zijn haar desondanks voor de gevraagde voorziening in aanmerking te brengen, is de Raad niet gebleken. Verweerster heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd appellante ingevolgde de Wet een vergoeding van de onderwerpelijke reis te verlenen.
De in beroep nog ingezonden verklaring d.d. 8 mei 2006 van het RIAGG Maastricht beschrijft een ná de datum van het bestreden besluit ingetreden nieuwe ontwikkeling en kan om die reden niet bij de beoordeling worden betrokken. Het staat appellante vrij om terzake bij verweerster een nieuwe aanvraag in te dienen.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.