ECLI:NL:CRVB:2006:AX9572

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-136 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Ziektewet (ZW)Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (REA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering op basis van deugdelijke medische beoordeling

Appellant viel sinds december 1999 uit wegens klachten aan zijn linker onderbeen en voet en vroeg in juni 2002 een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering na een medische en arbeidskundige beoordeling waarin werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor passende arbeid zonder verlies van verdiencapaciteit.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische beperkingen, waaronder angstklachten en een mogelijke paniekstoornis, onvoldoende waren meegewogen en dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijke deskundige had benoemd. De Raad oordeelde dat het belastbaarheidspatroon, inclusief de aangescherpte beperkingen op psychische aspecten, op een deugdelijke medische grondslag berustte.

De brief van appellants huisarts uit juli 2002 werd betrokken bij de beoordeling, maar gaf geen aanleiding tot het aannemen van zwaardere beperkingen. De Raad vond dat de rechtbank terecht geen aanleiding zag voor nader deskundigenonderzoek en bevestigde het bestreden besluit van het UWV.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens voldoende geschiktheid voor passende arbeid.

Uitspraak

04/136 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 december 2003, 02/2711 (hierna: aangevallen uitspraak).
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.T.G. van Engelen, advocaat te Wageningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006, waar appellant en zijn gemachtigde, met kennisgeving, niet zijn verschenen, en waar het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.H. Luyens.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is op 9 december 1999 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als productie-medewerker wegens klachten aan zijn linker onderbeen en voet. Appellant is in het kader van beoordelingen op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (REA) meerdere keren onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Bij schrijven van 7 juni 2002 is het Uwv namens appellant verzocht om appellant in aanmerking te laten komen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Het Uwv heeft 16 november 2000 als beoordelingsmoment voor de WAO (einde wachttijd) aangemerkt. De verzekeringsarts die appellant in het kader van de WAO onderzocht heeft, heeft aanleiding gezien het in het kader van de REA-beoordeling opgestelde belastbaarheidspatroon van 16 juli 2001 van overeenkomstige toepassing te achten, waarin in verband met de forse afwijkingen aan het linker onderbeen beperkingen zijn vastgesteld. Na een arbeidskundige beoordeling concludeerde de arbeidsdeskundige op basis van functieduiding dat er geen verlies aan verdiencapaciteit resteerde, waarna het Uwv bij besluit van 24 juli 2002 geweigerd heeft appellant in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.
Het belastbaarheidspatroon is vervolgens in verband met bij appellant (sinds maart 2001) bestaande angstklachten en een mogelijke paniekstoornis aangescherpt met beperkingen op de aspecten werken onder tijdsdruk, conflicterende functie-eisen en conflicthantering, waarbij is opgemerkt dat wisselende diensten en nachtdiensten worden afgeraden. De bezwaararbeidsdeskundige oordeelde daarop dat enkele van de eerder geduide functies door de toegevoegde beperkingen dienen te vervallen voor de schatting, maar dat er voldoende functies binnen de eerder geduide functiecodes bestaan die passend zijn te achten. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft onveranderd 0%. Bij besluit op bezwaar van 6 november 2002, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv zijn primair besluit gehandhaafd.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het bestreden besluit onjuist te achten.
Namens appellant is in hoger beroep, onder verwijzing naar een op 5 juli 2002 gedateerde brief van zijn huisarts T.J. Jonker, aangevoerd dat zijn psychische beperkingen onjuist/te laag zijn vastgesteld en de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien heeft om een deskundige te benoemen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en dossierstudie, waaronder de eerder in het kader van de ZW en de Wet REA opgemaakte verzekeringsgeneeskundige rapportages, de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid vastgesteld en met inachtneming hiervan geoordeeld dat appellant geschikt is te achten om passende arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na kennisneming van een op 5 juli 2002 gedateerde brief van appellants huisarts
T.J. Jonker, aanleiding gezien het belastbaarheidspatroon in verband met sinds maart 2001 bij appellant bestaande psychische klachten op een drietal aspecten (werken onder tijdsdruk, conflicterende functie-eisen en conflicthantering) aan te scherpen. Hetgeen namens appellant is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, noch om te oordelen dat de psychische beperkingen van appellant onjuist zijn vastgesteld. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn grief dat hij psychisch zwaarder beperkt is alleen verwezen naar voornoemde brief van zijn huisarts, die door de bezwaarverzekeringsarts is betrokken in zijn beoordeling en waaruit ook naar het oordeel van de Raad niet blijkt van zwaardere beperkingen dan neergelegd in het belastbaarheidspatroon. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de beperkingen van appellant onjuist zouden zijn vastgesteld. De Raad is gelet op het voorgaande tevens van oordeel dat de rechtbank in redelijkheid kon besluiten geen aanleiding te zien voor een onderzoek door een onafhankelijke deskundige.
De Raad is tot slot niet gebleken dat de door de bezwaararbeidsdeskundige in bezwaar aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.