ECLI:NL:CRVB:2006:AX9556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6314 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering kinderbijslag en opdracht tot nieuw besluit

Appellant had bezwaar gemaakt tegen de weigering van kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal 2001 tot en met het derde kwartaal 2002. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had het besluit gehandhaafd met de motivering dat de kinderen niet tot het huishouden van appellant behoorden en dat appellant niet voldeed aan de onderhoudseis.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens de zitting bij de Raad stelde de Svb zich echter op het standpunt dat er geen breuk in het huishouden was ontstaan en dat de kinderen onverminderd tot het huishouden behoorden. De Raad onderschreef dit standpunt en vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak.

De Svb werd opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met de bevindingen van de Raad. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant voor zowel eerste aanleg als hoger beroep, inclusief vergoeding van griffierecht en reiskosten.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van kinderbijslag wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

04/6314 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 5 oktober 2004, 04/1219 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellant is verschenen met bijstand van
mr. A.A. van Harmelen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 9 februari 2004 heeft de Svb zijn besluit van 22 oktober 2003 gehandhaafd, waarbij aan appellant kinderbijslag is geweigerd over het vierde kwartaal van 2001 tot en met het derde kwartaal van 2002. De Svb heeft hiertoe overwogen dat de kinderen van appellant, Naime en Shqipe, in deze periode niet tot het huishouden van appellant behoorden. Evenmin zou appellant op eenvoudig controleerbare wijze aan de zogenoemde onderhoudseis hebben voldaan.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van de verklaring van appellant ter zitting van de Raad heeft de Svb zich alsnog op het standpunt gesteld dat er in de zomer van 2001 geen breuk is ontstaan in het huishouden van appellant en dat Naime en Shqipe in de periode waarover kinderbijslag is geweigerd onverminderd tot het huishouden van appellant zijn blijven behoren. De Raad onderschrijft dit oordeel.
Gelet hierop dienen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te worden vernietigd. De Svb dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van het bovenstaande.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 16,80 voor reiskosten van appellant in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit neemt met inachtneming van het bovenstaande;
Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.304,80, te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.
(get.). T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.