ECLI:NL:CRVB:2006:AX9006

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2436 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AbwArt. 65 Abw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens onjuiste opgave woonadres

Appellante diende op 8 september 2003 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), waarbij zij een woonadres opgaf. Een onaangekondigd huisbezoek op 6 oktober 2003 leidde tot twijfel over de feitelijke bewoning van dat adres. Tijdens het bezoek kon appellante geen sleutel tonen, had zij geen eigen kamer, weinig persoonlijke spullen en verklaarde zij haar kleding elders te bewaren.

Het College wees de aanvraag op 2 december 2003 af, en de rechtbank verklaarde het beroep op 17 maart 2005 ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het recht op bijstand afhankelijk is van de feitelijke woon- en leefsituatie, en dat de verstrekte informatie onvoldoende was om vast te stellen dat appellante op het opgegeven adres woonde.

De Raad concludeerde dat appellante de inlichtingenplicht uit artikel 65 Abw Pro had geschonden door onvolledige informatie te geven over haar verblijfplaats. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of zij aanspraak had op bijstand. De afwijzing van de aanvraag werd daarom bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijstand wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van feitelijke bewoning op het opgegeven adres.

Uitspraak

05/2436 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2005, 04/1817 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.W. Mettendaf, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S. Mahabier, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 8 september 2003 een aanvraag om bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Daarbij heeft zij aangegeven aan de [adres] te [woonplaats] te wonen. Op 6 oktober 2003 hebben twee medewerkers van de sociale dienst op dat adres een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. Uit de bevindingen tijdens het huisbezoek is afgeleid dat het niet aannemelijk is dat appellante op het opgegeven adres woont.
Bij besluit van 2 december 2003 heeft het College de aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 16 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
2 december 2003 ongegrond verklaard. Daartoe is, onder verwijzing naar onder andere de artikelen 7 en 65 van de Abw, overwogen dat niet kan worden vastgesteld of appellante op het door haar opgegeven adres woonde, terwijl zij niet heeft aangeven waar haar werkelijke verblijfplaats was.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 maart 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bijstand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste uitspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke situatie.
Naar het oordeel van de Raad biedt het naar aanleiding van het huisbezoek opgemaakte verslag onvoldoende grondslag om aan te nemen dat appellante, zoals zij aan het College heeft opgegeven, ten tijde in geding daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats]. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat tijdens het huisbezoek appellante geen sleutel van de woning had, zij geen eigen kamer had, zij vrijwel geen persoonlijke spullen en administratie kon tonen en zij, volgens haar verklaring, haar kleding (in een koffer) op het adres Graadt van Roggeweg 9b te Utrecht bewaarde. Appellante kon bij het huisbezoek slechts een plastic tas met toiletspullen, drie truitjes, een spijkerbroek en wat ondergoed tonen. Dat wekt de indruk dat appellante op het opgegeven adres logeerde en is onvoldoende om te kunnen aannemen dat zij aldaar haar hoofdverblijf had. Ook overigens is niet aan de hand van verifieerbare concrete bescheiden aangetoond dat appellante op het opgegeven adres haar feitelijke woonadres zou hebben. Hetgeen namens appellante is betoogd omtrent het (tijdelijke) verblijf bij haar zuster in Utrecht heeft de Raad geenszins van het tegendeel kunnen overtuigen, reeds omdat een gestelde afwezigheid van enige dagen niet afdoende kan verklaren dat op het opgegeven woonadres nauwelijks enig spoor van bewoning door appellante was te vinden.
Door onvolledige informatie te verschaffen over haar werkelijke verblijfplaats heeft appellante de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Ten gevolge daarvan kan niet worden vastgesteld of appellante ten tijde hier in geding aanspraak had op bijstand ingevolge de Abw. Het College heeft derhalve op goede gronden de aanvraag afgewezen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) M. Pijper.
RB1005