ECLI:NL:CRVB:2006:AX8785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3563 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • N.J. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbAlgemene Arbeidsongeschiktheidswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van geen nieuwe feiten

Appellante heeft bij besluit van 17 december 1984 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) geweigerd gekregen omdat zij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest en op het moment van onderzoek minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is onherroepelijk geworden.

In 2001 diende appellante een nieuwe aanvraag in met de stelling dat zij vanaf haar geboorte gehandicapt was. Het UWV besloot op 15 september 2002 niet terug te komen op het eerdere besluit en weigerde de uitkering opnieuw, mede omdat appellante niet voldeed aan de inkomenseis vanaf 1 januari 1992.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat de overgelegde rapporten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en stelt dat de nieuwe rapporten slechts nadere beschouwingen zijn van reeds bekende feiten en omstandigheden. Er is geen reden om het eerdere besluit te herzien.

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De weigering van het UWV om terug te komen op het eerdere besluit blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het eerdere besluit tot weigering van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Uitspraak

04/3563 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2004, 03/848 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2006. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Balkema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 17 december 1984 heeft een rechtsvoorganger van het Uwv, het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) besloten appellante een uitkering ingevolge die wet te weigeren.
Daartoe is in dat besluit overwogen dat appellante vanaf de datum van haar geboorte, 16 september 1956, niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt in de zin van de AAW is geweest en op 13 november 1984, de datum van het onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige van de Gemeenschappelijke Medische Dienst, voor minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van die wet was.
Dit besluit is rechtens onaantastbaar geworden.
Onder dagtekening 17 juli 2001 heeft appellante een nieuwe aanvraag om uitkering ingediend waarbij zij aangaf vanaf haar geboorte gehandicapt te zijn.
Dit heeft geleid tot een besluit van het Uwv van 15 september 2002 waarin is besloten niet terug te komen op het gestelde in het besluit van 17 december 1984. Voorts is besloten appellante een uitkering te weigeren omdat zij, uitgaande van 1 januari 1992 als eerste dag van arbeidsongeschiktheid, niet aan de zogeheten inkomeneis in de destijds geldende AAW voldoet.
Bij besluit van 26 maart 2003, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van
15 september 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft wat betreft de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit van 17 december 1984 geoordeeld dat de door appellante overgelegde rapporten niet aan te merken zijn als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als genoemd in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met dat oordeel kan de Raad zich verenigen. Genoemde rapporten zijn in 2001 en 2002 opgemaakt door respectievelijk een orthopedagoog en een psycholoog. Daarin wordt thans als waarschijnlijkheidsdiagnose genoemd dat appellante naast de, thans niet ter discussie staande congenitale heupafwijkingen, lijdt aan het syndroom van Asperger.
Daarmee is evenwel naar het oordeel van de Raad niet gezegd noch kan uit die rapporten worden afgeleid dat de voor appellante in 1984 vastgestelde arbeidsbeperkingen door het uitvoeringsorgaan destijds onjuist zouden zijn ingeschat. Terecht heeft de rechtbank aan de hand van die rapporten erop gewezen dat de psychische klachten en beperkingen destijds bekend waren, zij het dat de thans gestelde waarschijnlijkheidsdiagnose toen nog niet gesteld was.
De Raad merkt deze rapporten dan ook aan als bevattend nadere beschouwingen en beoordelingen van deskundigen van reeds lang bekende feiten en omstandigheden die op de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling uit 1984 geen nieuw licht werpen.
Voorts overweegt de Raad dat ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat een eerste arbeidsongeschikt- heidsdag gelegen na 13 november 1984 maar voor 1 januari 1992 voor appellante geen aanspraak kan doen ontstaan, omdat zij niet aan de zogeheten inkomenseis kan voldoen en zij reeds lang voor de aanvang van dat tijdvak geen studie meer volgde.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.