ECLI:NL:CRVB:2006:AX8724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Weigering terug te komen op onherroepelijke premiebesluiten en restituering betaalde premies
In deze zaak stond de vraag centraal of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) terecht weigerde terug te komen op onherroepelijke premiebesluiten over de jaren 1999 en 2000 en de betaalde premies gedeeltelijk te restitueren. Betrokkene had verzocht om herziening van deze besluiten, stellende dat de regeling van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) een lex specialis vormt ten opzichte van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad overwoog dat, net als bij artikel 4:6 van Pro de Awb, ook op grond van artikel 11, vierde lid, van de CSV nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden gesteld om terug te kunnen komen op een onherroepelijk besluit. De door betrokkene aangevoerde jurisprudentie en stellingen konden niet als zodanige nieuwe feiten worden aangemerkt.
De Raad oordeelde dat appellant, het UWV, niet onredelijk heeft gehandeld en geen strijd met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen heeft begaan. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Alkmaar werd voor zover relevant vernietigd en het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.