ECLI:NL:CRVB:2006:AX7226

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4324 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • J.W. Schuttel
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en anticumulatieperiode overschreden

Appellant ontving sinds 1974 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV ontdekte dat appellant sinds 1997 diverse ondernemersactiviteiten ontplooide met aanzienlijke inkomsten. Op 17 april 2003 stelde het UWV een anticumulatiebesluit vast waarbij de uitkering vanaf 17 november 1997 werd stopgezet vanwege deze inkomsten. Tevens trok het UWV de uitkering per 17 november 2000 in, omdat de anticumulatieperiode maximaal drie jaar achtereen mag worden toegepast.

Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij geen of onvoldoende inkomsten had genoten en dat hij onterecht werd geacht te hebben gewerkt in de jaren 1997-1999. De Raad stelde vast dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het anticumulatiebesluit en dat dit besluit daardoor in rechte onaantastbaar was geworden.

De Raad oordeelde dat de stelling van appellant dat hij geen betekenisvolle inkomsten had, niet afdoet aan het rechtsfeit dat de uitkering terecht werd stopgezet. Ook de vrijspraak in een strafzaak was irrelevant. Omdat de maximale termijn van drie jaar anticumulatie was verstreken en er geen relevante wijziging in de situatie van appellant was, was de intrekking per 27 november 2000 terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 27 november 2000 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

04/4324 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2004, 03/3276 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.J.H. Jansen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was - op medische gronden - sinds 1974 in het genot van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een opsporingsonderzoek heeft het Uwv gebracht tot de conclusie dat appellant allerlei ondernemersactiviteiten had ontplooid waarmee hij aanzienlijke inkomsten moet hebben gegenereerd.
Bij besluit van 17 april 2003 (het anticumulatiebesluit) heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellant onder toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO met ingang van 17 november 1997 in verband met vorenbedoelde inkomsten niet wordt uitbetaald.
Bij besluit van eveneens 17 april 2003 (het intrekkingsbesluit) heeft het Uwv de uitkering per 17 november 2000 ingetrokken, aangezien artikel 44, eerste lid, van de WAO maximaal drie jaar achtereen mag worden toegepast.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit.
Dit bezwaar is bij besluit van 29 oktober 2003 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellant heeft in het aanvullend beroepschrift uiteengezet waarom appellant het niet eens is met de intrekking van zijn uitkering. Naar zijn mening is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat appellant in de jaren 1997, 1998 en 1999 heeft gewerkt en inkomsten heeft genoten in een omvang als door het Uwv schattenderwijs vastgesteld.
Evenals de rechtbank stelt de Raad voorop dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het anticumulatiebesluit. Appellant stelt weliswaar dat hij dat besluit niet heeft ontvangen en dat hij het pas in de loop van de procedure onder ogen heeft gekregen, maar de Raad acht deze stelling niet geloofwaardig. Hoe dat ook zij, appellant heeft er blijkens zijn uitlatingen ter zitting welbewust voor gekozen om niet alsnog een bezwaarschrift in te dienen nadat hij naar zijn zeggen voor het eerst had kennisgenomen van dat besluit.
Nu geen bezwaar is gemaakt tegen het anticumulatiebesluit, is dat besluit in rechte onaantastbaar geworden en moet bijgevolg thans als vaststaande worden aangenomen dat appellant zodanige inkomsten heeft genoten dat zijn uitkering niet tot uitbetaling dient te komen. Appellants stelling dat hij geen inkomsten van betekenis heeft gehad kan aan dit rechtsfeit niet afdoen, evenmin als zijn argument dat hij in de strafzaak is vrijgesproken.
Aangezien de termijn van drie jaren als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WAO was verstreken en er voorts geen relevante wijziging in appellants situatie was opgetreden, heeft het Uwv terecht en op goede gronden besloten zijn uitkering per 27 november 2000 in te trekken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.