ECLI:NL:CRVB:2006:AX7220

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1620 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • J.W. Schuttel
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schorsing WAO-uitkering wegens vermoedelijke inkomsten uit arbeid

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de schorsing van zijn WAO-uitkering door het UWV, welke schorsing was gebaseerd op een opsporingsonderzoek dat vermoedde dat appellant inkomsten uit arbeid genoot. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat het UWV op goede gronden tot schorsing had besloten.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en is van oordeel dat het opsporingsonderzoek voldoende grond bood voor het vermoeden dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten. Appellant betwistte dit, maar de Raad sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt de schorsing.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt daarmee de eerdere uitspraak. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 mei 2006.

Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering wegens vermoedelijke inkomsten uit arbeid wordt bevestigd.

Uitspraak

04/1620 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2004, 03/1608 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 januari 2003 heeft het Uwv appellants WAO-uitkering geschorst met ingang van 1 februari 2003.
Bij besluit van 7 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen het besluit van 28 januari 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat bij het Uwv, gelet op de resultaten van het opsporingsonderzoek, het gegronde vermoeden kon bestaan dat appellant geen recht op uitkering meer had.
Appellant betwist dat hij relevante inkomsten uit zijn besloten vennootschappen, respectievelijk zijn eenmanszaak heeft genoten.
De Raad is van oordeel dat het opsporingsonderzoek genoegzame grond opleverde voor het vermoeden dat appellant aanmerkelijke inkomsten uit arbeid had genoten.
De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten tot schorsing van de uitkering.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.H.A. Uri.