ECLI:NL:CRVB:2006:AX6760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4920 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. ’t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet voorzieningen gehandicapten
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verstrekking aangepaste auto en primair collectief vervoer

Appellant verzocht om verstrekking van een aangepaste auto ter vervanging van een eerder verstrekte vervoersvoorziening. Het bestuur van het Regionaal Orgaan Gehandicaptenvoorzieningen weigerde dit op grond van het primaat van het collectief vervoer en het beginsel van goedkoopst adequate voorziening. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overweegt dat appellant, gelet op het indicatieadvies van de medisch adviseur, in staat is gebruik te maken van collectief vervoer en een scootmobiel, waarmee hij zijn sociale en vrijwilligersactiviteiten kan uitvoeren. De Raad wijst erop dat maatschappelijke organisaties primair verantwoordelijk zijn voor het faciliteren van vrijwilligers via reiskostenvergoeding.

De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de toepasselijke regelgeving en jurisprudentie. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot verstrekking van een aangepaste auto en het primaat van collectief vervoer.

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak op 3 mei 2006
CENTRALE RAAD VAN BEROEP
Enkelvoudige kamer
Zitting heeft: M.I. ’t Hooft; griffier: B.M. Biever-van Leeuwen
3e Zaak, reg.nr: 04/4920 WVG, inzake:
[appellant], wonende te [woonplaats], verschenen bij gemachtigde mr.W.C. de Jonge,
advocaat te Vlaardingen,
tegen
het bestuur van het gemeenschappelijk orgaan Regionale Organisatie Gehandicapten-voorzieningen Nieuwe Waterweg Noord, gedaagde, verschenen bij gemachtigde I. de Vries-Kromhout, werkzaam bij gedaagde.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak (reg.nr. 03/2396) van 4 augustus 2004 het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juli 2003 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft gedaagde gemotiveerd vastgehouden aan de weigering appellant een aangepaste auto te verstrekken ter vervanging van de auto die hem destijds in 1989 -voor de inwerkingtreding van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg)- als vervoersvoorziening in bruikleen was verstrekt. Gedaagde acht appellant, gelet op de onderzoeksbevindingen en het indicatieadvies van de medisch adviseur van Argonaut BV, in staat om gebruik te maken van het collectief vervoer van deur tot deur alsmede van een scootmobiel. Daarmee kan appellant onder meer de vrienden die hij heeft in zijn woonplaats en zijn voetbalclub in Rotterdam bezoeken en ook de instelling bereiken waarvoor hij vrijwilligerswerk verricht. Gelet daarop stuit naar de mening van gedaagde in casu de aanvraag af op de bepalingen in de toepasselijke verorde-ning betreffende de goedkoopst adequate voorziening en het primaat van het collectief vervoer. Het bestreden besluit bevat voorts een weergave van die bepalingen en de daarop betrekking hebbende jurisprudentie. Daarbij is er onder meer op gewezen dat het in geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties in de eerste plaats op de weg ligt van die instellingen om de vrijwilliger door een tegemoetkoming in eventuele noodzakelijke reiskosten in staat te stellen dat werk te doen.
De bevindingen van de medisch adviseur van gedaagde zijn vanwege appellant niet onder-bouwd weersproken. Blijvend binnen het raam van de -in de aangevallen uitspraak en in het bestreden besluit juist weergegeven- toepasselijke regelgeving en jurisprudentie in het kader van de Wvg ziet de Raad in hetgeen vanwege appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunt om het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak en in het bestreden besluit en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De Raad beslist daarom als volgt:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Utrecht, 3 mei 2006
Waarvan proces-verbaal,
De plv. griffier. De fungerend voorzitter.
B.M. Biever-van Leeuwen. mr. M.I. ’t Hooft
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de Centrale Raad van Beroep.