ECLI:NL:CRVB:2006:AX6736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht bij privaatrechtelijke dienstbetrekking en gezagsverhouding in arbeidsrelatie
Belanghebbende voerde een bedrijf dat zich bezighield met metaalbewerking en auto-onderdelen. Betrokkene werkte van 1998 tot en met 2002 voor belanghebbende. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) stelde dat betrokkene in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot belanghebbende en legde correctie- en boetenota’s op wegens niet-betaalde premies.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de nota’s vernietigd, waarbij werd gewezen op de zelfstandigheid van betrokkene en een verklaring arbeidsrelatie uit 2005. Appellant stelde dat de rechtbank onjuist de toetsingsvolgorde had gehanteerd en dat verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten moest worden vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep stelde dat eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, waarbij zelfstandigheid niet uitsluit dat er een arbeidsverhouding is. De verklaring arbeidsrelatie uit 2005 was niet relevant voor de jaren 1998-2002. Uit de feiten bleek dat betrokkene persoonlijk werkte, onder gezag van belanghebbende, en dat de vergoeding als loon moest worden aangemerkt.
De Raad concludeerde dat appellant terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen en dat belanghebbende grove schuld had door niet te controleren of premies verschuldigd waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en de correctie- en boetenota’s gehandhaafd. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de correctie- en boetenota’s worden gehandhaafd wegens verzekeringsplicht op grond van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.