ECLI:NL:CRVB:2006:AX3160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Minister tot verkorting tijdelijke aanstelling ambtenaar bij Buitenlandse Zaken
Appellante was vanaf 3 september 2001 tot 1 december 2004 in tijdelijke dienst bij de Veiligheidsdienst Buitenlandse Zaken (VDB). Bij een aanstellingsbesluit van 2 december 2002 werd zij tijdelijk aangesteld tot 1 december 2004, met de mededeling dat het dienstverband daarna automatisch zou eindigen.
De Minister stelde later dat dit besluit een fout bevatte en verkortte de aanstelling tot 1 september 2004, waarmee een vaste aanstelling werd voorkomen. Appellante stelde dat zij op grond van het oorspronkelijke besluit en de aard van haar werkzaamheden mocht vertrouwen op een vaste aanstelling vanaf 3 september 2004.
De voorzieningenrechter oordeelde aanvankelijk dat de Minister het besluit mocht wijzigen, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak. De Raad stelde dat de Minister niet bevoegd was om de duur van de tijdelijke aanstelling te verkorten, omdat dit zou leiden tot het voorkomen van een vaste aanstelling die volgens artikel 19 van Pro het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) van rechtswege zou ontstaan.
De Raad erkende dat er sprake was van een administratieve vergissing, maar vond dat de belangen van appellante bij een vaste aanstelling zwaarder wogen dan de taakstellingen van het ministerie. De Minister werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: De Minister was niet bevoegd de tijdelijke aanstelling te verkorten; appellante heeft recht op vaste aanstelling vanaf 3 september 2004.