ECLI:NL:CRVB:2006:AX3072

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-2825 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 Awbartikel 17 BBRA
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek aanpassing toelage onregelmatige diensten bij Provinciale Stoomboot Diensten Zeeland

Appellant was tot 18 maart 2003 werkzaam bij de Provinciale Stoomboot Diensten Zeeland en verzocht op 2 juli 2003 om aanpassing van de aan hem toegekende toelage onregelmatige diensten (TOD) op grond van een eerdere uitspraak van de Raad. Gedeputeerde Staten wezen dit verzoek af, wat na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die een herziening van de rechtens onaantastbare besluiten rechtvaardigden.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en overweegt dat jurisprudentie op zich geen grond vormt om rechtens onaantastbare besluiten te doorbreken. De uitspraak van de Raad van 10 april 2003 kan niet worden beschouwd als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Ook de stelling van appellant dat hij rechten kan ontlenen aan een toezegging aan voormalige kapiteins wordt verworpen, omdat hij als stuurman niet onder die toezegging valt.

De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het beroep af. Er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

05/2825 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 29 maart 2005, 04/175, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland (hierna: Gedeputeerde Staten)
Datum uitspraak: 18 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Gedeputeerde Staten hebben een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben desgevraagd nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2005. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door T.B. Jacobs, verbonden aan AbvaKabo. Gedeputeerde Staten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en mr. R. Koper, werkzaam bij de provincie Zeeland.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant is tot 18 maart 2003 in diverse functies werkzaam geweest bij de Provinciale Stoomboot Diensten Zeeland (PSD) in Zeeland. Naar aanleiding van een uitspraak van deze Raad van 10 april 2003 in een geschil tussen de voormalige kapiteins van de PSD en Gedeputeerde Staten heeft appellant op 2 juli 2003 verzocht de aan hem op grond van het Reglement toelage onregelmatige diensten Zeeland genoten toelage (verder: TOD) in overeenstemming te brengen met de percentages en de afleidingsschaal van artikel 17 van Pro het Besluit Bezoldiging Burgerlijke Rijksambtenaren (BBRA). Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 15 juli 2003 afwijzend op dit verzoek beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 27 januari 2004.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat de toekenning van de TOD en voorzover bij de maandelijkse uitbetaling daarvan aanpassingen hebben plaatsgevonden, ingevolge vaste jurisprudentie aangemerkt dienen te worden als besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen (een) besluit(en) met betrekking tot de toekenning en berekening van de TOD, hebben Gedeputeerde Staten het verzoek van appellant terecht opgevat als een verzoek om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden besluitvorming. Nu appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangedragen, waren Gedeputeerde Staten naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om, met verwijzing naar de eerdere besluitvorming inzake de TOD ten aanzien van appellant, het verzoek af te wijzen. Het beroep is ongegrond verklaard.
3.1. De Raad sluit zich aan bij dit oordeel en de overwegingen van de rechtbank. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten waartegen geen beroep bij de rechter is ingesteld, of die gezien het resultaat van een wel bij de rechter gevolgde rechtsgang in rechte onaantastbaar zijn geworden. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 2 mei 2002, LJN AE4022, TAR 2002, 137. Dit betekent dat, anders dan appellant kennelijk voorstaat, de uitspraak van de Raad van 10 april 2003 niet kan worden beschouwd als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Dat het hier uitleg van complexe regelgeving betreft maakt dit niet anders. Gedeputeerde Staten waren dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, het verzoek af te wijzen.
3.2. In hetgeen appellant overigens heeft gesteld ziet de Raad geen grond om te oordelen dat Gedeputeerde Staten niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik hebben kunnen maken. Aan de in genoemd geschil tussen de voormalige kapiteins van de PSD en Gedeputeerde Staten gedane toezegging dat de uitspraak van de Raad in dat geschil bindend is voor alle kapiteins van wie de TOD was ingetrokken, kan appellant geen rechten ontlenen, nu hij laatstelijk tot 18 maart 2003 was aangesteld als stuurman en de TOD bij hem ook niet was ingetrokken.
4. De aangevallen uitspraak dient dus te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2006.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
5.05