ECLI:NL:CRVB:2006:AX3053

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-5608 MPW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaald militair garantiepensioen

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage waarin de terugvordering van een onverschuldigd betaald bedrag aan militair garantiepensioen werd bevestigd. Het bedrag van € 1.432,96 was betaald over de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2003. Appellant voerde aan dat de Staatssecretaris tekort was geschoten in communicatie en voorlichting, en dat daardoor onduidelijkheid bestond over de omvang van de terugvordering.

De Raad stelde vast dat het geschil voortkwam uit gebrekkige besluitvorming en het uitblijven van informatie door de Staatssecretaris. De hoogte van het teruggevorderde bedrag stond niet meer ter discussie. Appellant had het bedrag als negatief loon opgegeven bij zijn inkomstenbelasting, waardoor de schade door belastingteruggave geheel of gedeeltelijk ongedaan kan worden gemaakt. De Staatssecretaris heeft toegezegd eventuele resterende schade te vergoeden.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van kosten, waaronder telefoonkosten, overwoog de Raad dat vergoeding alleen mogelijk is indien het primaire besluit wordt herroepen, wat hier niet het geval was. Daarom werd het verzoek tot vergoeding afgewezen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Uitspraak

05/5608 MPW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juli 2005, 04/4584 MPW (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: Staatssecretaris),
Datum uitspraak: 11 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Appellant is, daartoe opgeroepen, in persoon verschenen, waarbij hij zich heeft laten vergezellen door zijn vader T.M. Lammers. De Staatssecretaris, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C.M. Satijn, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Bij besluit van 1 maart 2004, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 september 2004, heeft de Staatssecretaris een bedrag van € 1.432,96 van appellant teruggevorderd vanwege een onverschuldigd betaald bedrag aan militair garantiepensioen over de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2003.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Staatssecretaris bevoegd was om dit bedrag van appellant terug te vorderen en dat er geen gronden zijn waarop van terugvordering had moeten worden afgezien.
Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen. In hoger beroep voert hij aan dat de Staatssecretaris is tekort geschoten in communicatie en voorlichting en pas ter zitting van de rechtbank duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van de bruto terugvordering. Hij meent dat de rechtbank daarom ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek de Staatssecretaris te verplichten tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de terugvordering heeft moeten maken. Daarbij wijst hij erop dat louter door toedoen van de Staatssecretaris een te hoog bedrag aan hem was overgemaakt en dat door verdere nalatigheid pas in het daarop volgende kalenderjaar een correctie heeft plaatsgevonden.
De Raad overweegt het volgende.
Mede gelet op hetgeen op de zitting naar voren is gebracht moet worden vastgesteld dat de oorzaak van het geschil gelegen is in de gebrekkige besluitvorming en het uitblijven van informatie daarover door de Staatssecretaris. Tussen partijen is de hoogte en de opbouw van het teruggevorderde bedrag niet meer in geding.
Voorts is komen vast te staan dat appellant het bedrag van € 1.432,96 dat hij heeft terugbetaald inmiddels bij zijn aangifte inkomstenbelasting heeft opgegeven als "negatief loon" en dat de verwachting is gerechtvaardigd dat binnenkort, door belastingteruggave, de schade voor zover deze bestaat uit de brutering geheel of gedeeltelijk ongedaan zal worden gemaakt. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de Staatssecretaris ter zitting toegezegd dat, voor zover deze schade niet ongedaan wordt gemaakt, deze alsnog aan appellant vergoed zal worden.
Met betrekking tot de kosten waarvan appellant in bezwaar om vergoeding heeft verzocht, waaronder telefoonkosten, overweegt de Raad dat deze op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen voorzover het primaire besluit wordt herroepen. In dit geval is er evenwel geen aanleiding gebleken om het terugvorderingsbesluit van 1 maart 2004 te herroepen. Hierdoor is niet voldaan aan één van de wettelijke vereisten om voor vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten in aanmerking te komen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.G. Kasdorp als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
19.04