ECLI:NL:CRVB:2006:AX3046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkomen op dagloonvaststelling en wettelijke rente bij WAO-uitkering
Appellant, werkzaam bij een werkgever, kreeg in 1985 een WAO-uitkering met een vastgesteld dagloon. In 2001 verzocht hij om verhoging van het dagloon vanwege niet verrekende toeslagen en extra reisdagen. Het UWV herzag het dagloon licht, maar wees verdere toeslagen af wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarop appellant hoger beroep instelde.
De Raad overweegt dat terugkomen op een onherroepelijk besluit slechts terughoudend getoetst kan worden en dat appellant bewijs moet leveren voor zijn stellingen. Nieuwe stellingen na bezwaar worden niet meegenomen. De Raad onderschrijft het UWV-besluit over extra reisdagen en wijst het bewijs voor toeslagen af. Ook de wettelijke rente over de nabetaling wordt besproken; het UWV kende uiteindelijk rente toe vanaf 27 juni 2001, maar vergat rente over rente toe te kennen.
De Raad verklaart het hoger beroep tegen het besluit over wettelijke rente gegrond, vernietigt dat besluit en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant. Het hoger beroep tegen de andere uitspraak wordt niet-ontvankelijk verklaard. De Raad bepaalt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2002.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het besluit over dagloonvaststelling wordt niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit over wettelijke rente wordt gegrond verklaard en vernietigd.