ECLI:NL:CRVB:2006:AW2834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens onjuiste psychische belastbaarheidsschatting
Appellante viel op 20 december 1999 uit wegens psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Het UWV stelde bij herbeoordeling op 3 september 2002 een arbeidsongeschiktheid van 15-25% vast, wat door appellante werd bestreden. Na diverse besluiten en beroepsprocedures stelde de rechtbank Arnhem het beroep deels gegrond en beval een nieuw besluit op bezwaar.
Het UWV nam op 16 maart 2004 een nieuw besluit (bestreden besluit 3) dat de bezwaren van appellante opnieuw ongegrond verklaarde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende was onderbouwd, maar dat het verlies aan verdiencapaciteit per 17 oktober 2002 niet juist was vastgesteld. De Raad stelde vast dat de uitkering herzien moest worden naar een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
De Raad verwierp het beroep van appellante tegen de vaststelling van haar psychische belastbaarheid, omdat geen medische gegevens een verslechtering na 17 oktober 2002 aantoonden. De functies waarop de schatting was gebaseerd werden aangepast, wat leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak bevestigt het belang van een gedegen medische en arbeidskundige onderbouwing bij WAO-herbeoordelingen en benadrukt dat psychische beperkingen zorgvuldig moeten worden vastgesteld op basis van actuele gegevens.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellante is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 17 oktober 2002.